MONTAVOIX

Refuge : schuilplaats, toevluchtsoord, vluchtheuvel, schuilhut. Chercher refuge : een schuilplaats, toevlucht zoeken. refuge (Fr.), v.(m.) (-s), (veroud., hist.), 1. wijkplaats; 2. uitwijking. Refuge: (latin refugium) -Lieu, endroit où quelqu'un qui est poursuivi ou menacé peut se mettre à l'abri. -Simple abri ou construction en dur plus confortable. contact: Wim Cuyvers, wimcuyvers@wanadoo.fr

Ma Montagne est ainsi. Attachement au sol et aspiration au départ. Lieu de refuge, lieu de passage. Terre du lait et du miel et du sang. Ni paradis ni enfer. Purgatoire.
Amin Maalouf, Le Rocher de Tanios

CONTENT . CONTENU . INHOUD

- DE WEG NAAR . THE WAY TO . LE CHEMIN VERS
- ERRANCE
- IMAGES
- ZICH ZWIJGEN
- LANDSCAPES . LANDSCHAPPEN . PAYSAGES
- BEGGING . BEDELEN . MENDIER
- NOUVELLE ECOLE ARCHITETURE
- THANK YOU . MERCI
- MOMENTEN EN RUIMTES
- FLORA - FLORE - FLORA
- REFUGE
- MOMENTS AND SPACES
- PUBLIEKE RUIMTE . PUBLIC SPACE . ESPACE PUBLIC
- INTERIEUR . INTERIOR
- A VENDRE . TE KOOP . FOR SALE
- MARENGO
- MUSHROOMS . CHAMPIGNONS . PADDESTOELEN 

- POOR BEING POOR
MESSAGES ARE NOT IN CHRONOLOGICAL ORDER. PLEASE LOOK ALSO IN THE ARCHIVE  ('ARTICLES PLUS ANCIENS', at the bottom of this page).

INTRODUCTION

Having designed spaces (mainly houses and schools) in which I thought one might be able to think about the fatality – after having walked, forced by protocols, often together with students, through cities after wars or in trauma: looking for public space, as I had realized more and more that only public space can be the existential space that I was aiming for, after having (ab)used art contexts to install public space, as I’m convinced that true contemporary art is public space, now, at this moment, there only remains this one try (it’s not a project), there’s only one - not different from life, to start a refuge in the woods of a mountainous area in the French Jura, next to the city of Saint Claude. At first glance it seems to be an abandoned natural environment but in fact it’s an urban region that is called by investors, developers and politicians: Plastipolis or La Plastics Vallée, where in between the CERN , the worlds largest particle accelerator in Geneva , on the one side and on the other extremity the ITER , the experimental fusion power reactor, in Cadarache a very large stretched out contemporary city is developing as an endless long ribbon city in the valleys from Geneva, over Saint-Claude, Oyonnax, Lyon, Grenoble to Valence, where young active researchers are working in new technologies, and are living in individual houses and spend their spare time on leisure activities in the surrounding mountains.
-The refuge turns out to be the most public building: it’s the only public building that doesn’t have to be accessible for the fire patrol and thus for police forces, the door has to remain open, the door has to turn inwards: it’s an inviting door.
-One will have to walk from and to the refuge.
-The refuge is in no way an institutional, not even an associational project.
-The individuals that live for the time being in the refuge will make a living by working in the wood, they are ‘forestieri’. ‘Forestieri’ is the word that Agamben uses in his original, Italian text for ‘refugee’, ‘stranger’ .
-The ‘guardians’ of the refuge will be young 'criminals'.
-The refuge is not a leisure place.
-I consider the wood, which is next to the city as a contemporary, actual public space.
-Refuge – refugee.
-In the refuge one will ‘talk’ by means of space.
-The building of the refuge is historically called ‘Le Montavoix’: the mountain with a voice.
-Everybody is welcome to help in the refuge.
-Please help the refuge to exist.

ERRANCE

Je crois qu’on peut faire une errance fixe, immobile. On peut être dans l’errance en restant toujours dans le même lieu. Il n’est pas nécessaire de bouger.
Raymond Depardon, Errance, pag. 181.

DE WEG NAAR . THE WAY TO . LE CHEMIN VERS


Pour vous rendre sur les lieux, il faut prendre la sortie de St-Claude direction Genève, passer l’intersection avec la D 124 en continuant sur la D436 puis prendre le premier chemin sur la gauche (juste avant le pont) ; avancer sur ce chemin jusqu’à un pont qu’il faut franchir et vous pouvez vous garer juste après (ou juste avant quand votre voiture est basse) ; prendre ensuite le chemin à pied à la patte d’oie prendre sur la gauche le chemin qui longe la rivière et le suivre environ 20 min. Vous traversez un champ, juste après le champ quitter le chemin, c'est à dire: prendre le chemin qui va tout droit dans le bois, pas continuer sur le chemin qui tourne à 90°, le chemin que vous prenez part tout droit, vous croisez une ligne à haute tension indiquée sur le plan, vous continuez, vous passez à la source et vous arrivez au refuge.
Montavoix ligt dicht bij de stad Saint-Claude (het postnummer is 39200, voor wegbeschrijvingen via internet of GPS komt dat nog al eens van pas) in de Franse Jura. Je moet vanuit het centrum van Saint-Claude de weg naar Genève nemen, je komt aan een splitsing met de D124 (richting La Pesse), je slaat niet af in die richting maar je blijft verder rijden op de D436, vervolgens neem je de eerste (keien)weg links, dat is vlak voor een brug over een rivier in een haarspeldbocht. De weg loopt meteen het bos in. Je volgt de weg ongeveer tweehonderd meter, tot aan een metalen brug, die ziet er wat krakkemikkig uit, maar je kunt er met een auto overheen rijden (oppassen dat je je uitlaat niet beschadigt). Net over dat bruggetje is er een grasveldje waar je de auto (als je al met de auto komt) kan parkeren. Vervolgens loop je langs de rivier omhoog, na goed honderd meter kom je aan een splitsing, je slaat links af (het gaat van hieraf bergop en dat is voor de volle duur van de wandeling), je blijft de keienweg volgen (zo'n twintig minuten wandelen) tot je aan een bocht komt die 90° naar rechts draait, onmiddellijk na een wei waar je doorheen gelopen bent, in die bocht vertrekt er echter ook een pad het bos in (in het verlengde van de weg die je aan het wandelen was), die moet je hebben. Na een tijdje loop je onder een hoogspanningsleiding door, blijven doorlopen tot je aan het huis uitkomt (in totaal ongeveer 40 minuten lopen vanaf de plek waar je de auto kan parkeren). Als je met het openbaar vervoer komt loop je best van het station van Saint-Claude tot aan het rugbystadion (Stade du Serger), voorbij het stadium lopen en na het laatste huis aan de rechtse kant van de weg een smal pad inslaan (richting fontaine des oiseaux), volgen tot aan een brug over de rivier, de brug oversteken, een smal steil paadje recht omhoog volgen tot je op een keienweg uitkomt, daar naar links. Je blijft de keienweg volgen (zo'n twintig minuten wandelen) tot je aan een bocht komt die 90° naar rechts draait, onmiddellijk na een wei waar je doorheen gelopen bent, in die bocht vertrekt er echter ook een pad het bos in (in het verlengde van de weg die je aan het wandelen was), die moet je hebben. Na een tijdje loop je onder een hoogspanningsleiding door, blijven doorlopen tot je aan het huis uitkomt (in totaal ongeveer 40 minuten lopen vanaf het rugbystadion). 

ZICH ZWIJGEN


“En als we in plaats van hen te leren spreken eens zouden leren om zelf te zwijgen? Als we ons aan de kant van de delinquenten, van de gekken, van de scholieren scharen dan worden de justitie, de school, het asiel grotesk; wel als we ons aan de kant van de stommen zetten dan wordt de taal grotesk.”
Fernand Deligny (1945, Graine de crapule)
Alsmaar minder kan ik verstaan waarom wij zo veel praten. We lijken altijd en overal over alles en nog wat te willen spreken: in winkels en cafés, terwijl we eten, voor we inslapen, in de auto, in de trein, bij vrienden of bij vreemden, tegen onze kinderen, tegen onze ouders. We vertellen grappen, we vertellen wat we zagen op de televisie: hele series en films worden verteld. We hebben het over het weer en over onze ziektes en kwalen. We voeren telefoongesprekken, we discussiëren in lezingen, voordrachten, en conferenties, we ratelen en we tateren onophoudelijk, in dialecten, in onze moedertaal, in vreemde talen, in gebarentaal, in geschreven taal; de digitale middelen hebben daar enkel een schep bovenop gedaan: we skypen en we bloggen nu ook nog. We spreken om te hebben, om te houden, om te krijgen, om te kunnen verkopen, om te verleiden en te behagen, om bemind te worden, om verkozen te worden, om te overtuigen: verkoperspraat en salestalk. Het spreekwoord ‘spreken is zilver, zwijgen is goud’ heeft het verkeerd: spreken is de meest banale zoektocht naar het goud. We schreeuwen onze angsten uit en betuigen onze liefde, we weeklagen en we treiteren, we schelden en we slijmen, we jammeren en we zingen. We lallen en argumenteren, we fluisteren en we krijsen, we vloeken en we smeken, we babbelen en we kwebbelen, we kouten en we kletsen en leuteren opdat de bakkersvrouw, de dienster in het restaurant, de buschauffeur of de politieman of de studentin ons sympathiek zouden vinden, of opdat zij medelijden of mededogen zouden hebben. We schelden en we zeuren, zonder dat we enige illusie hebben dat onze woorden zouden aankomen of enig effect zouden hebben. We zingen en we stotteren, we roepen en we tieren, we steken redevoeringen af, we debiteren, we proclameren en we lispelen verontschuldigingen. We haten onze eigen stem, maar we blijven tateren en tetteren om de leegte van de stilte in ons hoofd te vullen.
Ik hou van het Franse werkwoord se taire: ‘zich zwijgen’, zoveel juister dan ons ‘zwijgen’ of het Engelse ‘to shut up’, en ik hou net zo van het Franse werkwoord se promener, of se balader: ‘zich wandelen’. ‘Zich wandelen’ is niet wandelen voor de sport, voor de prestatie, voor de gezondheid. ‘Zich wandelen’ is niet wandelen om ter verst of om ter hoogst, ‘zich wandelen’ is niet wandelen om de hond uit te laten. ‘Se balader’ is een synoniem voor ‘balader sa peine’, zijn eigen (nood)lot wandelen, zijn eigen straf wandelen: ronddolen en dwalen in zichzelf en in de wereld. Het doet er niet toe of we altijd opnieuw dezelfde weg wandelen of dat we rondstruinen op plaatsen waar we nooit eerder kwamen, in beide omstandigheden is het mogelijk om te dolen. Wie zich wandelt, spreekt niet; hij of zij zwijgt zich. Se balader en se taire zijn wederkerige of, beter nog reflexieve werkwoorden: ‘werkwoorden die je terugkeren naar jezelf’, werkwoorden die ons weerspiegelen in onszelf. Sporten verhoudt zich tot ‘zich wandelen’ zoals spreken zich verhoudt tot ‘zich zwijgen’.
‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen’, zei Ludwig Wittgenstein. Ik kan daarbij alleen maar de vraag stellen waar we wél over zouden kunnen spreken, waarover we niet zouden moeten zwijgen. Als iemand zwijgt, wil dat niet zeggen dat hij boos zou zijn, of kwaadaardig of hoogmoedig, of verdrietig of chagrijnig. Sommige vrienden of oude koppels kunnen zwijgen: zonder scrupules, zonder bijgedachten kunnen ze naast elkaar zitten en kijken naar het verkeer, of naar een paar kippen die scharrelen in het stof, dingen die niet interessant of uitzonderlijk zijn en die ze al heel dikwijls gezien moeten hebben. Vuur lijkt de capaciteit te bezitten om ons te doen zwijgen; bij het open vuur overkomt het ons blijkbaar wat vaker dat we zwijgen. Sommigen kunnen de liefde bedrijven zonder te spreken. Sommigen kunnen zwijgend werken, naast elkaar, zonder te spreken, sommigen kunnen samen wandelen, zonder te spreken. Men is ongetwijfeld meer verbonden in het zwijgen dan in het spreken. Het zwijgen is wat we gemeen hebben. Zwijgen is publiek spreken. Zwijgen om te zijn.
En neen, ik bedoel niet dat we zouden moeten zwijgen om beter te kunnen mediteren of transcenderen. Ik heb het niet over stilte en ik ben niet op zoek naar stilte: stilte is de afwezigheid van geluid, niet de afwezigheid van taal of spreken. Ik herinner me dat ik ooit in een treincoupé vol doofstommen zat, het was er muisstil, maar de ruimte van de treinwagon was vol van hun geluidloze getater. Zwijgen is de niet-taal van de ruimte, van de pure ruimte, van gebouwen die tot niets dienen: lege structuren, met daken, wanden, vloeren, kolommen, ruïnes, gebouwen die alleen maar ruimte zijn, maar ook open plekken in een bos, paden waar niets echt gedaan wordt, waar mensen doorheen lopen, zich wandelen, niet spreken, zich zwijgen, permanent, waar mensen elkaar soms aanraken, soms tegen elkaar aanschurken, maar niet spreken.
Die ruimte, die niet geprivatiseerd wordt, is de ware publieke ruimte. Als we echt publieke ruimte willen, zullen we moeten plaats maken, in de beide betekenissen van het woord: plaats en ruimte, enerzijds vrijplaats en vrije ruimte maken, en anderzijds plaats ruimen en niet langer plaats innemen, niet langer plaats bezetten of innemen, ook en vooral niet met onze woordenstroom. We zullen zwijgend in de ruimte moeten zijn om plaats te maken. Om plaats te laten zullen we moeten zwijgen. De ruimte die vrij is van het getater van individuen, de ruimte die niet ingenomen is, die niet geprivatiseerd is door gepalaver, is publieke ruimte. Zwijgen is publiek spreken. Niet alleen omdat we door niet te spreken, ruimte vrij laten, maar vooral omdat we door niet te spreken een ontvankelijke ruimte creëren, en meer nog omdat we door zwijgend in de ruimte te zijn het diepe verlangen naar contact dat tussen ons zindert, kunnen gewaar worden en koesteren.
De meest existentiële momenten van ons leven spelen zich af in de publieke ruimte, op die plaatsen waar we komen in momenten van verwarring, van angst en van schaamte. Daar waren mensen voor ons en er zullen er na ons komen. Zij die er eerder waren lieten er sporen na. Enkel en alleen door naar die plaatsen te gaan. Zij maakten, ongewild en zonder na te denken, een pad. Zij zochten een hek, een muur, een haag, een boomkruin, die hen, voor een ogenblik, de illusie van beschutting kon bieden. Hun sporen en die van ons zijn identiek, de sporen maken het ons mogelijk om naar die plekken te gaan. Ze geven ons een schouderklop en maken de ruimte ontvankelijk; we beseffen hoe identiek wij die ruimtes wel begrepen hebben. En geen kreet, geen woord, geen zin leidt ons van dat besef van gemeenschappelijkheid weg.
Het zijn de sporen die ons zeggen dat onze voorgangers een zelfde angst of een soortgelijk verlangen hadden als die van ons. De schouderklop van de sporen maakt de ruimte ontvankelijk, we beseffen hoe identiek wij die ruimtes wel begrepen hebben. Geen woord, geen zin, geen kreet heeft ons van die gemeenschappelijkheid weggeleid.

Wie zwijgt, speelt niet de zelfverzekerde, houdt niet de schijn van de ‘almachtige’ op, laat zich niet afleiden van zijn eigen zwakte, van zijn eigen angsten, van zijn eigen schaamte, maar concentreert er zich juist op. We vergeten ons hele leven lang niet hoe we als kind op de dag van de familiefeesten onder de tafel kropen, binnen de beschermende balkvormige ruimte die gevormd werd door het diep doorhangende tafellaken. Dat soort ervaringen hebben kinderen over heel de wereld, overal ter wereld zijn ze muisstil, vlakbij de volwassenen, die schranzen en zwelgen en gore grappen vertellen. Het kind onder de tafel laat niet van zich horen, zwijgt en bouwt een gemeen begrip op dat het levenslang niet zal kwijtspelen. Het kind van toen zal zich vijftig jaar later misschien niet meer die ene specifieke ruimte herinneren, maar wel de abstracte kwaliteiten van die ruimte. Die zal het verinnerlijkt hebben en op ogenblikken van nood, momenten dat het lijf de maatschappelijke normen moet overtreden, zal het soortgelijke plekken opzoeken. Die verinnerlijkte kennis, dat her-kennen van die ruimtes delen we met anderen, niet alleen mensen van onze eigen cultuur, maar met mensen wereldwijd.
De ruimtelijke wijsheid die we verinnerlijkt hebben is niet cultuurgebonden maar universeel: de taal scheidt ons, maar via de ruimte kunnen we zonder ruis met elkaar zwijgen. Het graf is dé ruimte die we gemeen hebben: de ruimte van het zwijgen. Laat ons zwijgen als het graf: être muet comme la tombe. In een consumentenwereld van gekakel van opbieden en afdwingen is zwijgen, ook al is het niet zo bedoeld, een daad van verzet, verzet tegen de organisatie van de wereld van de consumenten zoals wij die kennen. Maar tegelijker is zwijgen de acceptatie van een zinloze condition humaine. Hoe ridicuul is het om op te roepen om te zwijgen: als je wil zwijgen moet je zwijgen. Als we nu eens eindelijk konden zwijgen. Ik denk niet dat psychoanalytici gelijk hadden toen ze stelden dat we slechts mens worden door de taal, maar mochten ze toch gelijk hebben, dan verkies ik, in plaats van het door tateren tot mens geworden beest, het dierlijke van het zwijgen: zwijgen om te zijn.

Wim Cuyvers

LANDSCAPES . LANDSCHAPPEN . PAYSAGES









BEGGING BEDELEN MENDIER

MONTAVOIX IS LOOKING FOR:
BUILDING MATERIALS
-roof tiles ‘Perrusson’, type: à la 9ième écluse, Lécuisses
-long screws
-long nails
-white paint for outside, oil and varnish for wood

-ropes (thick and thin), tape
-cement
-chalk
-vice

-buckets
-gloves
-ear protections
TOOLS FOR GARDENING
-shovel, rake, hayfork…
-horse drawn mowing machine
-garden shears
TOOLS FOR WORKING IN THE FOREST
-strong chains and steel cables
-epdm rubber to cover the fire wood
-biodegradable oil for the chain saw
-unleaded petrol 95
-(used) caving or mountaineering ropes
TOOLS FOR THE KITCHEN
-heavy cooking pots to cook on the woodstove
-cups
-towels
FOOD
-all kind of food that can be stored without cooling
CLEANING PRODUCTS
-black soap
ENERGY
-a stirling engine, functioning on wood

-solar lamp Sunnan, Ikea, colour: black
MONEY
MANPOWER
DICTIONARIES
MONTAVOIX ZOEKT:
BOUWMATERIALEN
-dakpannen van het merk ‘Perrusson’, type: à la 9ième écluse, Lécuisses
-lange schroeven
-lange nagels

-witte buitenverf, olie en vernis
-touwen (dik en dun) en lint
-stroomgenerator
-cement
-kalk

-emmers
-werkhandschoenen
-oorbeschermingen
MATERIALEN VOOR HET WERK IN DE TUIN, DE WEIEN
-schoppen, harken, rieken...
-maaimachine te trekken door een paard.
-snoeischaren
MATERIALEN VOOR DE BOSONTGINNING
-zware kettingen en stalen kabels
-epdm folie of dergelijke voor het afdekken van brandhout
-biologische kettingolie voor de kettingzaag
-loodvrije benzine 95
-(gebruikte) speleo- of klimtouwen
MATERIAAL VOOR DE KEUKEN
-pannen en potten, waterketel, met dikke bodem om te koken op de houtkachel
-kopjes
-keukenhanddoeken
ETEN
-eetwaren die goed bewaren
SCHOONMAAKPRODUCTEN
-zwarte zeep
ENERGIE
-stirling motor die werkt op hout

-lamp op zonneenergie Sunnan, Ikea, kleur zwart
GELD
MANKRACHT
WOORDENBOEKEN
MONTAVOIX CHERCHE :
MATERIAUX DE CONSTRUCTION
-tuiles, marque ‘Perrusson’, type: à la 9ième écluse, Lécuisses
- visses (longues)
- clous (longs)

-peinture blanche pour extérieur, vernis, huiles
-cordes (fines et grosses), sangles
-groupe électrogène

-seaux
-gants de travaille
-protections pour les oreilles
POUR LE TRAVAIL DANS LE JARDIN
-pelles, râteaux, fourches
-faucheuse pour cheval
-sécateurs
POUR LA CUISINE
-casseroles et poêles pour cuisiner sur la poêle à bois
-tasses
-torchons
PRODUITS D’ENTRETIEN
-savon noir
ENERGIE

-moteur Stirling au bois
-lampes solaires Sunnan, Ikea, couleur noir
ARGENT
FORCE MUSCULAIRE
DICTIONAIRES

NOUVELLE ECOLE ARCHITECTURE


 

 

NOUVELLE . ECOLE . ARCHITECTURE

ECOLE . NOUVELLE . ARCHITECTURE

ARCHITECTURE . NOUVELLE . ECOLE

ECOLE . ARCHITECTURE . NOUVELLE

ARCHITECTURE . ECOLE . NOUVELLE

NOUVELLE . ARCHITECTURE . ECOLE


Entre les mots « nouvelle », « école » et « architecture », on peut imaginer tous les préfixes, toutes les prépositions possibles : par, pour, de, dans, à travers, entre, et, avec,… Je veux  demander d’essayer d’ajouter ce genre de mots entre ces mots « nouvelle », « école », « architecture » et de changer l’ordre de ces trois mots tout le temps.

-Cet espace public n’est pas du tout un non-lieu ; c’est le contraire d’un wasteland ou d’un terrain vague. C’est vraiment un lieu, un endroit où on va, un espace qu’on n’oublie pas, qu’on garde en tête. Un espace qu’on reconnait - reconnait de re-connaître. C’est-à-dire qu’on connait de nouveau, qu’on semble avoir connu avant (quand on était petit et moins socialisé), ou peut-être mieux encore, parce qu’il y avait déjà d’autres personnes avant nous qui avaient bien connu cet endroit.  

-Nouvelle : (1) Nom féminin : annonce d’un événement qui s’est passé récemment, la nouvelle du jour, avoir des nouvelles, prendre des nouvelles. « C’est une bonne nouvelle ». Synonymes : annonce, bruit, écho, information, récit, roman, scoop. (2) Nom féminin : Dans la littérature : récit bref qui réclame l’unité de la narration et l’unité de l’effet. (3) Adjectif : qui vient d’apparaitre, qui est apparu depuis peu, qui est tel depuis peu de temps, qui vient de se produire et diffère de ce que l'on connaissait antérieurement, qui reflète des idées, des théories, des procédés nouveaux, qui innove. Période de renouvellement complet des idées, des valeurs, des mœurs, que l'on ne connaissait pas encore, que l'on vient de découvrir; dont on n'avait pas l'habitude. Qui est autre.

 - Apparemment on ne l’a pas compris, on ne l’a pas senti, on ne l’a pas remarqué. Tout d’un coup, la condition humaine a changé, et ça depuis la digitalisation. La digitalisation n’est pas juste la « n-ième » révolution technique. Non. Je ne trouve pas de mots qui seraient mieux adaptés : la digitalisation ecect fondamentalement changé la condition humaine. C’est comme si tout d’un coup la gravité n’existait plus. Depuis la digitalisation mondialisée et généralisée, la prison universelle est installée. L’hyper-capitalisme a réussi à installer le rêve du communisme stalinien : tout le monde contrôlé, tout le monde contrôleur. Pour faire court, cela nous est tombé dessus en soixante-dix ans (du Z3 calculateur électromécanique en 1941 jusqu’au smartphones - généralisés entre 2005 et aujourd’hui. Une fois la condition digitale installée - et voulue par les prisonniers, tout le monde est en permanence contrôlé ou du moins peut être contrôlé à chaque moment. À partir de là, l’espace public n’existe plus.

-Nouvelle . Architecture . Ecole est surtout un lieu, un lieu qui a continué d’exister après l’installation de la condition digitale, qui veut exister après l’installation de la condition digitale. Pourtant, il n’y a pas la moindre illusion qu’on puisse être capable de nier cette nouvelle condition humaine : la condition humaine s’impose et on subit. La seule chose qu’on puisse faire c’est de chercher à se confronter maximalement avec cette nouvelle condition – de ne pas nier cette condition.

- Les écoles sont détestables, mais ce sont les écoles qui permettent aux enfants de quitter la maison. Entre l’école et la maison, il y a un chemin et un temps, là l’enfant est moins contrôlé: c’est ce chemin et ce temps qui est important - le chemin et tout ce qui est à côté du chemin qui mène de la maison à l’école. 

-L’école est un espace physique, tridimensionnel, un lieu où on peut aller. Le chemin entre la maison et l’école est un chemin d’errance. L’enfant traine, il ne veut pas aller à l’école, il ne veut pas retourner à la maison, il s’infiltre dans une maison abandonnée à côté du chemin.

-L’école est un espace tridimensionnel, physique, un lieu où on peut aller. Sur ce chemin vers l’école, en errant vers l’école, on voit d’autres endroits, des lieux où on s’arrête, où on reste. Et on sait que d’autres enfants, d’autres jeunes, d’autres gens, sont passés là, avant nous. Qu’ils se sont arrêtés au même endroit que nous. Ce plaisir est comparable au plaisir qu’on peut ressentir au moment où on trouve un objet à son endroit. Ce plaisir nous arrive seulement quand l’objet a trouvé une place évidente et juste.

-Dans cette Architecture . Nouvelle . Ecole, on se balade, on se promène. J’aime beaucoup cette forme des verbes promener et balader. En Français, ces verbes sont pronominaux, pas en Anglais ou en Néerlandais. Là, on dit : he walks, hij wandelt, en Français on dit il se ballade, il se promène. La grammaire française confirme ce que je pensais. Ça dit : « Le verbe pronominal a le sens réfléchi s'il marque que l'action se réfléchit sur le complément qui représente le sujet ». Le sens réfléchi montre que la balade et la promenade sont des actions existentielles.

-Dans Ecole . Architecture . Nouvelle on promène sa peine, peine dans tous les sens du mot : punition, effort, chagrin, souci,… On se promène. Dans Ecole. Nouvelle. Architecture, on ne se balade pas pour sortir le chien, pas pour prendre de l’air. On se balade tout le temps, perpétuellement : pour aller chercher de l’eau, pour aller chercher du bois, pour cueillir des champignons, pour cueillir des framboises ou des mûres, pour ramasser les pommes sauvages, pour aller écouter les chouettes, pour aller écouter la ligne à haute tension, pour aller voir quelqu’un, pour ne plus voir personne, pour parler, pour aller, pour se taire. En se baladant, on fait, on crée, on invente … ou non, il est plus approprié de dire : on retrouve, on dé-couvre, on entretient les sentiers. Les sentiers de l’école.

-Une école est une architecture vide. Nouvelle . Ecole . Architecture est le degré zéro de l’architecture. 

-Dans Architecture . Nouvelle . Ecole il n’y a pas de logos – il n’y pas d’emballages.

-Ceux « qui sont là » – avant, on les aurait appelé « étudiants » et « professeurs » - sont des mendiants. Du moins, ils ont cela en commun.

-Dans cette école, on s’accompagne dans l’errance : le compagnonnage de l’errance.

-L’école est sans mobilier. C’est-à-dire, il n’y a rien de mobile : la table et les bancs sont trop lourds pour être déplacés, le plan de travail a été fixé dans le mur. Les arbres, les roches : tout y est architecture, est considéré comme architecture. -Il n’y a pas d’inscriptions, pas de pancartes qui disent ou interdisent.

-Dans Nouvelle . Ecole . Architecture l’architecture est la pédagogie.

-Nouvelle. Architecture . Ecole est entretenue par un  janitor, personnage gris, ni professeur, ni directeur, ni étudiant. Le janitor y  développe une praxis : pratique, dirigée et orientée par une réflexion, une théorie - la théorie et la réflexion proche de l’intuition -, guidée par la pratique. Autrement dit : tracer en réfléchissant sur ces traces. Entre vita contemplativa et vita activa.

-Dans l’Ecole . Nouvelle. Architecture, on se tait ; on essaie de se taire, de ne pas parler. A l’époque, on aurait sans doute dit « de ne pas bavarder ». Se taire : en français verbe pronominal ; sens réfléchi.

-Fernand Deligny (1945, Graine de crapule) : « Et si au lieu de leur apprendre à parler, nous apprenions à nous taire ? Quand on se met du côté des délinquants, des fous, des lycéens, la justice, l'école, l'asile, ont une drôle de gueule ; eh bien, de la même façon, quand on se met du côté des mutiques, c'est le langage qui a une drôle de gueule ».

-Dans cette école, il n’y a pas de groupes d’étudiants, pas de classes, même pas des couples, il y a des individus. Des « quelques-uns ». 

-Dans cette école, on n’apprend pas un métier, on n’y apprend pas la maîtrise. La maîtrise n’y est pas transmise, même pas l’amour pour le matériel d’un artisan : on y fait de l’espace public. On y est dans l’espace public, dans l’espace existentiel, de façon permanente. On ne peut pas être expert de l’espace public. On s’expose, on se met à nu, on se montre, vulnérable, le plus vulnérable possible. Le maître ne peut pas y démontrer son amour pour le matériel. C’est seulement l’exposition de l’un à l’autre qui est envisagée : les vulnérabilités y sont mises sur la table ; la table qui est trop lourde pour être déplacée.

-Dans Nouvelle . Architecture . Ecole, on réfléchit avec les mains sales et les habits sales. On avait oublié qu’il était possible de penser avec les mains sales.

-L’école, la vraie école lie temps et espace. « Zum raum wird hier die zeit », « ici le temps devient espace » (Gurnemanz, Parsifal, Richard Wagner). Dans Ecole . Architecture . Nouvelle, le temps devient espace, « Zum offentlichen raum wird hier die zeit ». Dans Nouvelle . Architecture . Ecole, le temps devient espace public. Tout le temps consacré à cette école devient espace public.

-Dans cette école, on fait de l’espace en traçant, en laissant des traces. On ne fait pas des inventaires des mouvements de ceux qui sont là, mais on fait, on construit l’espace en traçant. Les traces sont le matériel de l’espace public.

-Il n’y a pas de confort dans Architecture . Ecole . Nouvelle.

-Cette école est un espace public pour les étrangers, ceux qui ne maîtrisent pas la langue, ceux qui ne sont pas intégrés, ceux qui sont étranges, ceux qui se baladent dans le bois.

-L’école est sans destination.

-Cette école ne peut pas être habitée, elle ne peut pas être une maison, ceux qui y viennent n’y sont jamais chez eux. Même le janitor n’y habite pas.

-L’école trouve sa place parmi nous : ce n’est pas un endroit où nous nous trouvons, où nous pouvons nous toucher les uns les autres, ce n’est pas un endroit où nous pouvons nous unir, un endroit où nous pourrions devenir un mouvement ou une communauté. Nous n’avons rien en commun, mais il existe un lieu commun entre nous.

-Cette école fait apparaître l’impossibilité de rapprochements entre ceux qui y passent : entre eux se dresse l’architecture (non seulement les bâtiments, mais l’espace fait et pensé). L’architecture froide et abstraite. Entre ceux qui y passent, se dressent des rituels, des mots et des gestes abstraits. Leurs aspirations réciproques remplissent l’espace. Leurs aspirations remplissent le même espace, jaillissent dans le même espace, mais sans jamais pouvoir être satisfaites. Dans Nouvelle . Ecole . Architecture se répètent les mêmes rituels à l’infini. On n’y recherche pas l’originalité. L’acte rituel ne peut pas être original, pas plus que le plan archétypique.

-Ecole . Architecture . Nouvelle est inconfortable, froide, brute, inefficace, fatigante.

-Ecole . Nouvelle . Architecture est un espace sans but, qui ne rapporte rien. Au contraire : Ecole . Nouvelle . Architecture est l’espace de la perte.

-Architecture . Nouvelle . Ecole est un engagement personnel. Ceux qui y viennent s’engagent personnellement. Elle n’est pas née d’une initiative associative. On y est hors institution.

-L’espace d’Ecole . Nouvelle . Architecture est muet. Il ne parle pas, n’a rien à dire, n’exprime rien.

Nouvelle . Architecture . Ecole est une architecture morte - une autre architecture est-elle possible? Elle est seulement pur espace et espace pur. 

-L’école trouve sa place, a trouvé sa place. Un schéma abstrait et connu qui a trouvé sa place, comme un marteau peut trouver sa place.

-La situation pédagogique est la situation dans laquelle on est confronté, plus que jamais, avec le désir de trouver un contact, le désir de pouvoir se toucher avec la conscience, en même temps, que ce contact sera toujours impossible. C’est cette situation qui est rendue explicite et recherchée dans Ecole . Nouvelle. Architecture.

-Nouvelle . Architecture . Ecole est un espace pour des êtres singuliers, qui n’appartiennent pas à un type ou à un peuple, qui ne forment pas une communauté, qui savent qu’ils ne sont que des individus. 

-Dans Nouvelle . Ecole . Architecture, l’étranger trouve sa place.

-Architecture. Ecole . Nouvelle perpétue l’étrangeté.

-Nouvelle . Architecture . Ecole est un lieu public sans programme. Le plan d’Ecole . Architecture . Nouvelle n’est pas du tout original, ne peut pas être original. 

-Par les fenêtres - coupées dans des murs ou coupées dans la forêt, on peut voir le bleu du ciel.

-Les étrangers, les passants déambulent sur les sentiers, qu’on pourrait appeler les « couloirs » de cette école. 

-Cette école nous confronte avec notre étrangeté.

-Dans Architecture . Ecole . Nouvelle, pas de cours mais des balades, des balades répétées, très souvent les mêmes balades.

-Dans Ecole . Nouvelle . Architecture, on parle publiquement. Parler publiquement signifie : on se tait. Etre. Etre silencieux.

-Le diplôme d’ Architecture . Nouvelle . Ecole est téléchargeable. On peut le télécharger avant de commencer les études. Il est à signer par celui qui se considère comme étudiant, évidemment pas par le professeur, ni par la direction, ni par l’administration. Il n’y en a d’ailleurs pas. C’est important que le diplôme soit accessible à tout le monde : de cette façon, le diplôme ne vaut rien, n’a aucune valeur économique. On se débarrasse, dès le début, de ceux qui font des études comme des comptables.

-Dans Nouvelle . Ecole . Architecture, on parle par l’espace, c’est-à-dire on voit de temps en temps que plusieurs personnes y bougent d’une manière identique, qu’ils y font exactement les mêmes gestes.

-Nouvelle . Architecture . Ecole est avant tout un lieu, un endroit qui s’est révélé après l’avènement de la condition digitale. 

-L’architecture, c’est l’affirmation d’un espace. On affirme un espace, un lieu déjà existant, par l’architecture.

-Parfois, l’architecture à Nouvelle . Ecole . Architecture fait penser à des ruines spacieuses, des  endroits où des gens sont revenus, pendant des siècles. Des gens qui appartenaient à des cultures ou des religions très différentes. Des gens avec des convictions qui n’avaient plus rien à voir avec les convictions et les idées de ceux qui avaient aménagés ces endroits, de ceux qui avaient vu et choisi ces endroits. Les bâtiments, mais encore bien plus la terre, qui y est dure, battue par les pieds de ceux qu’y sont passés, l’herbe souvent broutée par des animaux herbivores, presque toujours des chevaux. Ce sont des lieux définis, des lieux érotiques, des lieux de tension, des lieux de haute tension.

-Dans Architecture. Nouvelle . Ecole, il y a le moins d’objets possible.

-Dans cette architecture on est tous étrangers. Il n’y a pas d’objets qui peuvent nous donner l’impression - ou mieux dit, l’illusion - d’être chez soi.

-Nouvelle. Ecole . Architecture est un refuge, offre une protection pour être capable de supporter la confrontation et en même temps renforce la confrontation.

-Nouvelle . Ecole . Architecture est un short story.

-Il n’y a pas de décoration à Architecture . Ecole. Nouvelle, pas de moulures, pas de motifs, pas non plus une exposition de vieux outils. Les quelques outils qu’on y trouve sont utilisés, servent et trouvent leur place. C’est probablement le seul plaisir de la vie humaine que de trouver un outil, la faux ou la serpe, au bon endroit.

-« Inter faeces et urinam nascimur » disait Saint Augustin : on est né entre pisse et merde. Les toilettes sèches ont trouvé un endroit éminent et évident à Nouvelle . Ecole . Architecture.

-Dans Nouvelle . Ecole . Architecture on entretien l’espace : entretenir l’espace plutôt que le créer. On dé-couvre l’espace qui a été négligé depuis des décennies.

-Dans Nouvelle . Ecole . Architecture on fait de la place ; c’est-à-dire on laisse de la place. L’individu se retire pour laisser de la place. Il essaie de ne pas prendre de la place, il évite de remplir l’espace avec des objets qui lui appartiennent, il évite de privatiser l’espace. L’espace vidé d’objets personnels est accueillant.  

-Le travail y est répétitif et éternel, le travail qu’on ne peut photographier.

-Dans Architecture . Nouvelle . Ecole les mains sales ont laissé leurs empreintes. Les mains sales de différentes personnes ont été posées au même endroit. Elles ont laissé leurs traces, se sont jumelées pour devenir une tache commune, une trace commune, une tache qui indique et explique l’usage de la porte, de l’espace. Sans rien dire, plusieurs personnes ont touché le même endroit.

-La honte et la culpabilité sont les sentiments qui résument la relation entre l’homme et la société. Ils se reflètent et sont intériorisés dans Architecture . Nouvelle . Ecole.

-Les produits que l’on achète pour la survie sont transvasés dans des containeurs. Il n’y a pas de logos dans cette architecture.

-L’architecture de Nouvelle . Ecole . Architecture n’est pas flexible dans le vrai sens du mot. Ce sont des espaces définis. Définis par le temps, surtout. Un endroit pour un objet : un crochet pour accrocher la scie et rien d’autre. Un espace pour une action : la cuisine pour cuisiner et rien d’autre.

-Architecture est l’art de se taire - de nouveau un verbe pronominal - le sens réfléchi . Architecture est le langage du silence. Le langage de ceux qui se taisent, de ceux qui peuvent être avec (très) peu de choses.

-Dans la Nouvelle . Ecole . Architecture, on parle par l’espace, en étant au même moment dans le même espace : des individus séparés, dans le même espace, au même moment.

-Dans cette architecture, on fait de la place en se baladant, en travaillant silencieusement. Ce qui veut dire en parlant publiquement. Quand on se tait, on peut entendre la montagne, la ligne à haute tension, l’avion, la cascade, la buse, le monde.

-Fukuoka: «Je peux bien parler d’action non-intentionnelle et non-méthodique, mais évidemment, il y a une sagesse qui se développe dans le temps, durant la vie quotidienne ». 

-Dans cette architecture, il faut trouver les solutions archétypiques. Laisser les choses se trouver leurs places : une étagère pour les chaussures, seulement pour les chaussures, l’espace archétypique pour manger, pour cuisiner, pour pendre les vestes. On a besoin de très peu d’objets pour être capable de persister dans cet espace public. Les quelques objets dont on a besoin doivent trouver leur place dans cet espace. Les objets trouvent leur place spécifique : l’endroit pour le marteau n’est pas l’endroit pour les chaussures. Cette architecture n’est pas unique, n’est pas originale, n’est pas pensée par une personne et encore moins par un bureau. Cette architecture a trouvé sa forme définitive par une connaissance de l’environnement à travers les siècles. 

-Dans l’espace archétypique, le temps non occupé, non productif trouve (sa) place.

-On n’est pas chez soi, on ne se sont jamais chez soi dans Architecture . Nouvelle . Ecole. On n’est pas à la maison dans Ecole . Nouvelle . Architecture.

-Nouvelle. Architecture . Ecole est une continuation, un prolongement de ce qui a toujours été, mais qui était souvent caché, caché par l’activité humaine ou par la nature.

-L’architecte est absent dans Ecole. Architecture . Nouvelle

-Un homme bouge dans le paysage enneigé. Il est seul. En bougeant dans la neige profonde, il fait une trace. Il trace, lentement. Sa trace n’est jamais une ligne droite. Son corps sent et comprend, en même temps, l’espace. Il incorpore le paysage, l’endroit, le lieu, l’espace. La gravité le dirige, le force à tenir le point de gravité entre ses deux pieds. Ses pieds sentent le terrain en pente. A chaque mouvement, les pieds semblent prendre des décisions très rapides. Il est impossible de les reconstruire ou même de les comprendre. L’homme veut évidemment que la distance entre l’endroit où il se trouve et l’endroit où il veut aller soit la plus courte possible. Le corps veut qu’il tienne le point de gravité entre ses deux pieds, pour qu’il ne glisse pas. L’homme qui avance sur la pente enneigée laisse une trace. D’autres gens vont suivre cette trace. Ces gens-là auront sans doute une physionomie complètement différente. Ils vont néanmoins suivre la trace du premier. Nous traçons exactement comme les animaux. Les traces sont ce qu’on a d’animal en nous. Quand nos traces sont « bonnes », les animaux les « approuvent » en les utilisant et en les renforçant. On va quelque part. Le lieu où on va attire la trace. La trace crée le lieu. Nous traçons, nous suivons des traces, nous lisons des traces. En traçant, en laissant des traces, on fait de l’espace public. Tracer le terrain, tracer l’espace. Les traces sont le matériel de l’espace public. Les traces sont le seul matériel de l’espace public, le seul vrai matériel du vrai espace public. La forêt pourrait peut-être être une « non-place », un non-lieu. Mais une forêt avec des sentiers et des éclaircies est de l’espace, de l’espace fait par l’homme, première définition d’architecture.

-Masanobu Fukuoka disait dans The one straw revolution : « L’humanité ne sait rien du tout. Il n’y a pas de valeur intrinsèque et chaque action est un effort sans sens et futile ». Il a certainement raison.

-Ces caractéristiques se sont installées dans Architecture . Nouvelle . Ecole, elles y sont apparues. Elles n’étaient pas connues dès le début, n’étaient pas conceptualisées avant de commencer avec Architecture . Nouvelle . Ecole. Elles se sont installées, dirigées par le comportement et le goût de ceux qui y viennent, par le terrain, par la géologie, par le paysage, par le temps.

 

 

 

 

 

THANK YOU . MERCI

Annemarie Wuister, Wesley Van Dam, Sylvain Collin, Geoffrey Van Laere, Bruno De Wachter, Evert de Kock, Goedele De Caluwé, Carl Bourgeois, Inge Stevens, Tonette Mas, Cathelijne Montens, Jeffrey Daelemans, Gerrit Pierreux, Chantal Jorritsma, Chloë Vyncke, Sofie Vanelderen, Christian Dodelin, Christina Merten, Claude Poncet, Andy Devos, Dirk De Wit, Elize Naessens, Antonio Martin Prieto, Fanny Poncet, Filiep Tacq, Floyd Thorez, Paula Van Meenen, Bartjan Risseeuw, Francine Valk, Jacqueline Eerdekens, Jill Marchant, Francis Jonckheere, Gilles Banderier, Samuel Mondrjak, Goele Dewanckel, Henriette Waal, Tommaso Di Castro, Tatiana Van den Bruel, Niklas Adriaensens, Korneel Deprez, Marie Astrid Becu, Josephine Tanghe, Wolf Cuyvers, Els Beelen, Pieter Van Nieuwenhuyse, Davinia Schoutteten, Walter Van Meenen, Laura Van der Linden, Jacqueline Schoemaker, Leen Ackou, Jan Masschelein, Paco Theunis, Charlotte Gijs, Simon Knaepen, Sofie Stoffijn, Jonas Van den Abbeele, Lulu Cuyvers, Isabelle De Block, Lieven Dejonckere, Louis Van Haverbeke, Alfonso Augustin Gonzalez Garcia, Hannah Dewinter, Glenn Koklenberg, Alessio Cavaliere, Stappaerts Luuk, Jonathan Van Kerckhove, Lucas Henrique Silva Marinho, Jorie Soltic, Jozua Zaagman, Nick Hermans, Koen Berghmans, Benjamin Patout, François Santois, Matthias Vanhede, Hannah Dewinter, Ilyas Benamrane, Toon Braeye, Peter Aers, Kimberly Van Vlasselaer, Frank Maes, Wouter Van Herreweghe, Ingrid Audenaert, Katrien Verschoren, Bart Oostenrijk, Krijn Christiaansen, Brent Swaenen, Kristine Vandenboer, Lara Van den Broecke, Griet Van Dessel, Jill Marchant, Ludwine Voet, Sylvie Van Meenen, Pieter Dejonghe, Antoine Devaux, Vincent Alexis, Macario Iglesias, Joël Schuurmans, Hannah Verhellen, Valerie Mestach, David Vanhaverbeke, Mathijs Fieuws, Emmelie Martens, Rikkie Jong, Alice Guérin, Ad Peijs, Laura Spreeuwers, Sanne Wouters, Merel Demey, Arnaut Bertrand, Laurence Miguelez, Harmen Verelst, Astrid Bonduel, Roselien Van Nueten, Lilo Illig, Jordy Daelemans, Ruben Voets, Lily van Ginneken, Viorel Matei, Aisha Abraham, Wannes Deprez, Bas Baselmans, Paulien Gekiere, Stijn Content, Koen Van Synghel, Loic De Béthune, Dieter De Moitie, Lara Frankle, Sharon Bille, Arne Van de Lanotte, Fien Van Houtven, Elissa Marie Henderson, Miryam Eckert, Elke Sarens, Lot Van De Moortel, Sofie Van der Linden, Michael Gyselinck, Lotte Peten, Maartje Dros, Marc De Blieck, Ageyeiwaa Amponsah, Loran Corsten, Mariagrazia Semprebon,  Marlies Volckaert, Nikita De Paepe, Marit Dewilde, Stef Smits, Miriam Rohde, Wim Merckx, Ruth Müller, Manu Theunis, Liselotte Pieters,Lucia Palli, Hans Druart, Myriam Phillips, Anke Van Looveren, Paul Verstreken, Tijl Van Meirhaeghe, Jan Vanderstraeten, Elke De Boeck, Peter Morrens, Davy Goeman, René Mentens, Rolf Quaghebeur, Tuur De Moor, Patrick van Kempen, Michael Ceuppens, Kim Rubben, Sari Lemable, Marianne Willocx, Wouter Mewis, Andy Leduq, Thomas Montulet, obbe Van Poucke, Silke Verdonck, Karel Fleurbaey, Bert Vanderwegen,Thomas Cattrysse, Willem Vonhof, Elien Swinnen, Killian Meysman, Lowie Vandenberghe, Liesbet Aerts, Sebastian Bossuyt, Tracy Gerrits, Kobe Debosscher, Marjolein Hessels, Maarten Salens, Sebastian Fachmann, Sandra Ilschner, Marieke Tavernier, Ruud Baselmans.

MOMENTEN EN RUIMTES

Het huis is altijd keurig opgeruimd. Het ruikt er naar bleekwater, de vloeren blinken, daar zorgt de moeder voor. Het lijkt of zij alleen maar dat doet: kuisen. Stoelen staan met de poten in de lucht op de tafel, tapijten worden omgeplooid; op de glanzende rode cementtegelvloer liggen grijze plassen zeepwater. De strijktafel staat altijd opengevouwen, het strijkijzer staat altijd gloeiend te dreigen op de hoek van de strijkplank. De franjes van het tapijt worden gekamd, het kamerbreed tapijt in de slaapkamers wordt eindeloos gestofzuigd met de loeiende stofzuiger. De stofzuiger ruikt zoals alle stofzuigers ter wereld. Het witglanzende, opvouwbare droogrek blijft altijd open staan; het wasgoed is wit en koud. De afwas wordt onmiddellijk na het eten gedaan en opgeborgen in formica kasten. De kasten worden twee keer per week leeggemaakt en uitgeveegd. De schoenen staan in rekken in de stookplaats en in de wasplaats. Elke avond worden de schoenen gepoetst: vier paar schoenen op een rij op een oude krant. De schoenen worden afgeborsteld met een harde borstel, ingewreven met korrelig schoensmeer, het vet moet eerst intrekken, daarna worden de schoenen opgeblonken, dan de handen gewassen met kokend heet water uit de koperen kraan in de wasplaats. De moeder zit op haar knieën naast het bad. Ze schrobt de haren van de kleine met haar kneukels, de hoofdhuid en de schedel gloeien. Er is geen plaats waar gekuist wordt. De moeder roept met een harde schelle stem als iemand op de rand van de zetel zit. De stem gaat door merg en been. Zij zegt dat de kleine te veel lawaai maakt als hij ademt. De kleine houdt de adem in, maakt helemaal geen geluid, en dan als hij het niet meer kan houden haalt hij met een diepe zucht adem, een heel diepe zucht en dan twee minuten niets. De moeder krijst als ze die luide diepe zucht – bijna een snik – hoort. De kleine weet niet hoe hij zou moeten ademen opdat de moeder het niet zou horen. Hij ziet maar één mogelijkheid: weg: naar buiten, waar niemand het ademen hoort, waar de wind luider ademt dan hijzelf. Maar de moeder zegt dat het geen weer is om buiten te zijn. De kleine zou zo graag buiten willen zijn. Buiten, niet in de tuin: de tuin is niet anders dan het huis, de tuin hoort bij het huis. De tuin is van het huis: afgebakend met prikkeldraad, bekeken vanuit het huis. De tuin is een kamer van het huis, nauwelijks verschillend van de keuken of de leefruimte. De tuin met de droge zandgrond wordt eerst geschoffeld, er mag geen sprietje onkruid blijven staan; daarna wordt de droge zanderige grond in patronen geharkt - de handen van wie in de tuin werkt worden er even droog van als de zandgrond zelf. De kleine is maar buiten als hij op de vuilnisbelt kan rondstruinen. De vuilnisbelt is een grote zandkuil. De grootvader van de kleine heeft die uitgegraven, hij gebruikte het zand om mee te metselen: honderden huizen. De grootvader is dood. Hij had op Gramsci geleken. De enorme kuil in de zandgrond is volgelopen met water. Het zand is gelig wit. Het water is gitzwart. Er hangt de geur van rottend afval, er brandt altijd vuur. De vuilnisbelt krioelt van het leven: salamanders, eenden, ratten, kikkers, reigers, soms komen er mensen. Dikke Corry is één van hen, het is een oud ijzer verkoper, die zelf op een stortplaats woont, hij komt hier voor zijn plezier ratten schieten met zijn windbuks. Achter de vuilnisbelt ligt het bos, de naalden van de dennenbomen zijn bleek blauwgrijs. De grond is zuur. Je loopt er over een gelijkmatig tapijt van dennennaalden op de zandgrond. De kleine loopt vaak in het bos, maar hij bereikt nooit het einde van het bos. Het bos is een donkere en zachte ruimte: brute, ruwe stammen van ontelbaar vele gelijkaardige, gelijkwaardige dennenbomen: pinus sylvestris. Er zijn nauwelijks dieren in het bos, er fluit geen vogel. Soms ziet de kleine aan de rand van het bos twee mensen die elkaar ontmoeten, ze gaan niet ver het bos in. De kleine kijkt naar hen zonder te gluren. Hij ziet hen het bos in stappen en laat hen. Opeens weet de kleine dat hij moet omdraaien, teruggaan: het is etenstijd in het huis. De kleine moet de schoenen uitdoen voor het binnenkomt en direct het bad in, alsof hij moet ontsmet worden. De kleine loopt snel naar het huis. Hij hoopt dat de moeder hem niet zal roepen, dat haar schelle roep niet zal weerklinken tot diep in het bos en tot aan de andere huizen.

De kinderen lopen naar de school, zij hebben zwarte schortjes uit geribd nylon over hun broekjes en hemdjes. Ze moeten doorlopen om op tijd in school te zijn, voor de bel gaat, voor de poort onherroepelijk gesloten wordt voor wie te laat komt. De bel is even schel als de stem van de moeder. De grotere kinderen roepen vermanend naar de kleinere, ze roepen luid, ze molenwieken met hun armen, ze zijn sterk en hard. De kleine herinnert zich elke dag opnieuw het diepe gevoel verraden te zijn van de eerste schooldag. In de school braakt een kind op de vloer van wit zwart gespikkelde cementtegels. Een non gekleed in het zwartste zwart met een gesteven, witte kap gooit met een metalen schopje met een houten steel oranje zaagmeel uit een verzinkte emmer over het oranje braaksel. Hoe kan iemand zo vooruitziend zijn om in de hoek van een leeg klaslokaal een emmer met zaagmeel te hebben klaarstaan voor die ene keer dat iemand zal braken? Zou je daarvoor naar de wereld moeten kijken door witte gesteven oogkleppen? De moeder wil dat de kleine de beste is in de school. Maar in de grote rechthoekige bleekbeige ruimte zit de kleine tussen de anderen te dromen, hij blijft dromen van de vleugelslag van de leeuwerik en hij hoort de zang van de leeuwerik, opnieuw en opnieuw, terwijl de non en de kleuterjuffrouw en de meester en de prof zullen blijven doordrammen, hem blijven leren wat zij willen horen, hoe zij het willen horen: zij leren hem komedie te spelen. De moeder heeft hem gezegd dat hij de beste moet zijn. De beste in komedie spelen denkt de kleine. In de klas moet de kleine dromen om de alsmaar groeiende spanning binnen in het te kleine lijf te houden. In de school is zelfs de tijd opgesloten. In de school moeten zij die naar bleekwater ruiken de geur haten van hen die naar vet ruiken en omgekeerd: zij haten de geuren die anderen uit hun huizen hebben meegebracht. Als de kleine terugloopt van de school naar het huis, alleen, te midden van de anderen staart hij naar het verlaten huis. Hij blijft staan. Het buurmeisje, dat voor de kleine geen meisje, maar een soort schooljuffrouw is, iemand die doet alsof ze al een schooljuffrouw is, roept hem. De kleine staat op de drempel van het huis waar geen deur meer in zit. Hij ziet de barst die schuin oploopt vanuit de linkerbovenhoek van de deur. De kleine kijkt binnen in de zwarte ruimte, op de grond ligt oranjerood steenpuin en grijze verzande voegmortel. Tussen de brokken groeit fluorescent groen mos, met oranje puntjes. De kleine wil zo graag blijven staan, als bevroren, met de zon in de rug en de zwarte vochtige ruimte voor zich. Hij krimpt ineen als hij de schooljuffrouw in spee hoort roepen en hij gaat mee met de anderen. In de school leert de kleine niets, maar het is op weg van en naar de school dat de kleine het huis begrepen heeft.

Aan de rand van de vuilnisbelt staat een houten barak. De barak is gemaakt uit dennenhouten planken. De planken zijn grijs en dun, ze hebben eerder al gediend om bekistingen mee te maken. Er liggen vezelcementen golfplaten op het dak. De deur van de barak heeft twee dikke grijze leren lappen als scharnieren. De deur sluit met een ketting met een slot op. De ketting laat een centimeter of tien speling tussen de deur en de wand. De kleine duwt tegen de deur, die geeft lichtjes mee. De kleine schuift in de V-vormige spleet. Eerst de benen, dan de heupen, die blijven bijna vastzitten. Dan de buik, dat gaat makkelijk, dan de borstkas, de kleine ademt verschillende keren uit, om zich zo smal mogelijk te maken. De kleine ligt plat op de grond, daar is er het meeste ruimte te vinden in de V-vormige opening tussen de deur en de wand. De borstkas schuurt, klemt, schuurt en schuift verder. De nek zit nu in de opening. Enkel het hoofd steekt nog buiten. Het kinderlichaam is in de barak, de kleine draait het hoofd, wil het naar binnen trekken, maar de slapen zitten geklemd tussen het hout. De kleine duwt zo hard als hij kan met zijn handen de deur open. Het hoofd wringt en schuift tergend traag naar binnen. De opening is te klein. De kleine voelt de pijn, maar weet dat hij het zal halen. De engte schreeuwt het uit in de oren van de kleine. De kleine is helemaal binnen in de barak. De barak straalt de grootste evidentie uit. Het is een ruimte die er al altijd lijkt geweest te zijn. Er staat materiaal voor metselaars. Alles is er grijs en dor, droog: schoppen en truwelen, een paar emmers, drie zakken cement, een hoop zand op een houten plaat, een roestig vat, een ring duidt aan tot waar het grijze water ooit kwam, een paar touwtjes. De kleine is beschut tegen alles: regen en wind, maar bovenal: niemand kan de kleine hier zien liggen, niemand kan hier binnen: de volwassenen zijn te dik om zich hier naar binnen te wringen. Er is alleen maar de man die de sleutel van de barak heeft. Het kind weet voortdurend, op elk ogenblik, dat die man ooit zou kunnen komen. Als dat besef er niet zou zijn zou de barak niets zijn, geen betekenis hebben.

De wereld is simpel: de wereld is opgebouwd uit niet meer dan een paar elementen, een paar simpele bouwstenen – dat heeft het kind al heel vlug begrepen. Het kind kan die wereld makkelijk tekenen. Het tekent zijn wereld als een kaart, een planzicht, met een stok in het natte, grijzige zand. De kaart is driehoekig van vorm – een gelijkbenige driehoek. Gelijkbenig ja, niet gelijkzijdig. Het kind kan niet geloven dat een kaart altijd rechthoekig zou moeten zijn. Het kind tekent de kaart zoals andere kinderen een schattenkaart zouden tekenen. Het kind tekent een vierkantje, dat vierkantje staat voor het huis, het huis waar het woont. Het kind heeft nog geen weet van bissectrices of deellijnen, maar toch tekent het het vierkantje perfect op de snijding van de bissectrices. Velen denken dat dat het zwaartepunt van de driehoek is, maar dat is niet zo: het zwaartepunt is dat punt waar de zwaartelijnen elkaar snijden, en de zwaartelijnen zijn lijnen vanuit een hoekpunt naar het midden van de tegenoverliggende zijde. De bissectrices daarentegen zijn de lijnen door een hoekpunt die de (binnen)hoek in twee gelijke hoeken verdelen. Misschien wil het kind niet dat het huis in het zwaartepunt van de tekening zou komen te liggen. Daarna tekent het een driehoekje, dat driehoekje staat voor de school. Het driehoekje ligt in de kleinste hoek van de driehoekige kaart in het zand, het kind ziet dat niet als de top van de driehoek, ook niet als de onderkant van de driehoek, het kind blijft om de driehoekige kaart heen draaien. Het kind heeft geen voorkeur. Het kind woelt het zand om in het driehoekje dat de school voorstelt. Tussen het vierkantje en het driehoekje, op de bissectrice van de kleinste hoek van het plan tekent het kind opnieuw een vierkantje, in dit vierkantje trekt het zorgvuldig diagonalen. Het vierkantje met de diagonalen is het verlaten huis. Achter het vierkantje zonder diagonalen, het huis, tekent het kind een lijn evenwijdig aan de kortste zijde van de driehoek. Voorbij die lijn ziet het kind de vuilnisbelt. Daarna tekent het nog één lijn, evenwijdig aan de vorige lijn, tussen de vorige lijn en de kortste zijde van de driehoek. Op die lijn én op de bissectrice van de kleinste hoek tekent het opnieuw een vierkantje met daar doorheen de diagonalen. Hetzelfde symbool als voor het verlaten huis, maar dit vierkantje staat voor de barak. Het kind stippelt de zone waar het de vuilnisbelt ziet. Aan de andere kant van de lijn die het zonet getrokken heeft, krabbelt het kind, zoals het eerder in het kleine driehoekje gekrabbeld heeft. De zone tussen de laatste lijn die het getekend heeft en de kortste zijde van de kaart staat voor het eindeloze bos.

De jongeling vraagt zich niet af hoe het komt dat hij hier, op deze zaterdagnacht, tegen de betonplatenwand van de speelplaats van de kleuterschool is kunnen terechtkomen. Hij vraagt zich niet af hoe het kan dat hij zich deze plek heeft kunnen herinneren, deze plek waar hij niet meer geweest is sinds hij een jaar of vijf jaar oud was en waarvan hij toen toch onmogelijk kan geweten hebben waarvoor hij die plaats nu zou nodig hebben. Hij moet ook toen iets nodig gehad hebben, iets gelijkaardigs. De jongeling volgt het lijf naar de ruimte en de plek die er voor zorgen dat het lijf niet uit elkaar spat. De samenleving én het lijf hebben hem de weg naar hier gewezen. Ze zullen hem ook de weg wijzen naar de donkere toiletten, zonder spoeling onder het afdak, het ruikt er altijd scherp naar pis. Het afdak beschut tegen de regen, de betonplaten zijn om tegen te leunen, om zich aan te schurken, zoals de oude lindebomen op de speelplaats. Ze onttrekken hem aan het zicht van de controlerende en vermanende blikken van de omgeving en voorbijgangers. De school is, als ze gesloten en donker is, de plek van de onbeholpenheid. Hij of zij die onbeholpen is herinnert zich ooit, als kleine, de mogelijkheden van de dode architectuur van de school na schooltijd te hebben beseft. ‘Hier zou ik kunnen zijn’, moet hij toen gedacht hebben. Dat is hij blijkbaar nooit vergeten.

De jongeling fietst, ongetwijfeld harder dan hij tot nu toe ooit gefietst heeft. Hij wordt er niet moe van. Als hij niet meer sneller vooruit komt heeft hij de indruk dat dat aan de fiets ligt, niet aan hem, niet aan zijn longen en niet aan zijn beenspieren, maar aan de fiets. Hij rijdt aan de maximum snelheid van de fiets, zoals bij een motorfiets. Hij wordt niet moe. Het blauwe zwaailicht van de politiecombi komt snel dichterbij, het snelt de combi vooruit, hij hoort het typische geluid van de volkswagenmotor; vooral telkens net voor dat de chauffeur naar een hogere versnelling schakelt. Het blauwe licht gaat weg en komt terug. Elke keer als het terugkomt, is het weer iets dichter bij gekomen. Sinds het ogenblik dat hij het zwaailicht voor het eerst zag, heeft hij geen seconde nagedacht, alleen maar gefietst, zonder enige aarzeling. Moest hij hen opgewacht hebben dan zou hij er waarschijnlijk wel met een vermaning van af zijn gekomen. Maar hij wil de belerende toon niet aanhoren – hij wil niet gecontroleerd worden. Hij trapt en trapt, staat precies op het juiste ogenblik recht op de trappers om de overgang van de asfaltweg naar de zandweg op te vangen. Het is hier aardedonker, maar hij vertraagt niet, hij kent de zandwegel, niet elk gat, maar hij weet wel hoe de gaten zich uitslijten en hoe er in het midden van de weg altijd een licht bollende, bijna effen strook overblijft, met daarop gras dat nooit gemaaid wordt, maar dat nooit langer wordt dan een paar centimeter. Het zwaailicht komt even niet dichter bij, dat komt door de tunnel die de struiken die rond de zandwegel groeien vormen, waardoor het licht niet voluit kan schijnen, maar ook omdat de combi hier minder snel kan rijden. Hij fietst een paar honderd meter ver over de zandwegel, twee bochten. De muren van het verlaten huis zijn net iets lichter tegen de donkere lucht, er is geen maanlicht. Hij springt in het gitzwarte gat van de deuropening zonder deur, hij sleurt de fiets achter zich aan, over steenpuin en netels, over planken met nagels. Hij kent de weg hier niet, maar hij lijkt zich niet te kunnen vergissen, hij is één met de ruimte. Hij kruipt in een hoek, de fiets ligt in een andere hoek, de wielen zijn gelukkig niet blijven draaien, er is geen ander geluid dan het bonzen van zijn hart en het suizen van het bloed in zijn oren. De combi rijdt voorbij, stopt wat verder, het licht van een zaklantaarn schijnt naar binnen, schijnt over het weitje met de lupines en de wilde kerselaars, dan schijnt het licht weer naar binnen. Hij hoort de motor aanslaan, hij hoort de combi wegrijden. De jongeling blijft zitten, lang, tot de combi weer traag voorbij gereden is. Nu weet hij dat het voorbij is. Hij pakt de fiets, glijdt met zijn hand langs de muren van het verlaten huis, zoals iemand over zijn eigen huid wrijft, of zoals heel oude mensen dat soms kunnen doen bij elkaar: het is geen koesteren, alleen maar een ogenblik van instemmen.

Hij is weg, weg van het huis; weg van huis: slaande ruzie. Hij is hier via een omweg van vijftig kilometer en een volle dag beland, kort voor middernacht, vlak bij huis, maar weg van huis. Hij is niet de hele dag op zoek geweest, de nood heeft zich slechts langzaam opgebouwd, totdat de nood het lijf heeft overgenomen en de weg gewezen naar de barak. Uitwendig is er aan de barak nauwelijks iets veranderd, enkel het slot is niet meer hetzelfde: de ketting met het Yale-slot is vervangen door een slot dat aan de binnenkant van de deur geschroefd is. Daardoor is er geen speling meer tussen de deur en het deurkader. De jongeling kan niet eens denken dat hij, omdat hij gegroeid is toch niet meer door de opening tussen kader en deur zou kunnen glippen. Maar hij twijfelt geen seconde. Het is alsof alles buiten hem om gaat. Hij vindt een metalen hengsel van een oude verfpot. Hij steekt de metaaldraad tussen de kopse uiteindes van twee planken, plooit hem tot een L, met een kort beentje van anderhalve centimeter. Hij steekt het andere einde van de draad tussen de planken, draait aan de draad tot hij het uiteinde bijna rond gebogen heeft. De ‘sleutel’ is klaar. Hij vraagt zich niet af of die wel zal passen. Hij kan zich niet herinneren ooit zo trefzeker te zijn geweest. Hij steekt de geplooide draad in het slot, draait. Het slot knarst. Hij duwt de platte aluminium klink naar beneden en laat de deur opendraaien. Hij is daarover niet verbaasd. De geur is identiek dezelfde als die keer, meer dan tien jaar geleden. Geuren en angsten veranderen nooit. Hij legt zich meteen neer, op dezelfde plaats als toen. Er ligt wat ander materiaal. De barak lijkt nu nog minder gebruikt te worden dan vroeger. Het is er kouder en natter dan toen. Hij rolt zich op tot een bol, als een hond. Voor de eerste en de laatste keer in zijn leven slaapt hij zestien uur aan een stuk.

Het kind ligt neer in het warme grijze zand. Het kijkt naar de tekening die het zopas gemaakt heeft. Omdat het kind nu ligt, het hoofd vlak bij de plantekening, ziet het de driehoek veel scherper dan daarnet. Het kind houdt de adem te lang in. De tekening wentelt en vermenigvuldigt zich in het hoofd van het kind, er is niet één driehoekige plantekening, maar verschillende, heel veel, samen vormen al die scherpe driehoeken een cirkel: de driehoeken zijn cirkelsegmenten geworden. De gekrabbelde driehoekjes in de kleinste hoeken van de driehoeken vallen bij elkaar en klonteren samen tot een kleine cirkel in het midden van de cirkel. Aan de buitenkant van de cirkel groeit een donkere band. Maar ik zeg het verkeerd: het kind ziet geen buitenkant en geen midden, geen centrum in die cirkel. Het kind weet dat er veel scholen zijn, andere scholen, die waar de grote kinderen heen gaan, het kind weet dat er massaal veel huizen zijn, en verlaten huizen en barakken. Het weet dat de vuilnisbelten aan elkaar klitten tot een ring en dat de wereld begrensd is door het eindeloze bos. En natuurlijk weet het kind dat er fabrieken bestaan en winkels en kantoorgebouwen, maar voor een begrip van de wereld tellen die niet mee, dat weet het kind wel zeker.

De man doet iets in huizen en scholen. Het is meestal niet hij die ze bouwt, dat doen anderen je kunt dus bezwaarlijk zeggen dat hij huizen en scholen zou maken. En neen, hij vindt ook niet dat het ontwerpen zou zijn. Ontwerpen zou betekenen dat hij die huizen en die scholen bedenkt, ze bedenkt in functie van iets wat hij zou willen bereiken. Dat is niet wat hij doet, hij zoekt de huizen en de scholen waar hij aan werkt, hij vindt ze terug. Hij vindt terug wat al lang bestond, of toch minstens stukken van wat al heel lang bestaat. Hij vindt dat hij de dingen eerder herbruikt dan dat hij ze zou uitvinden; hij zet ze in vanuit de herinnering, hij kan ze vinden in zichzelf. Het is ongetwijfeld een onbelangrijke bezigheid, zoals een leven onbelangrijk is. De man weet dat de huizen die hij voor ogen heeft geen echte huizen zijn. De huizen die hij voor ogen heeft zijn desolaat als de barakken die hij kent en waarvan hij weet dat hij er altijd terecht kan. Hij wil dat de huizen waar hij aan werkt krakkemikkig zouden zijn, zoveel als de opdrachtgevers kunnen aanvaarden: als de verlaten huizen, die staan te barsten en te kraken. Het is telkens opnieuw een schok als mensen er hun gordijnen hangen en hun tapijten openvouwen, maar de tijd zal altijd zijn bondgenoot zijn. En de scholen zijn gedacht alsof ze altijd gesloten zijn, alsof er nooit les gegeven wordt, alsof er nooit leraars en leraressen zijn. De man die zich een kind weet bouwt luifels en afdaken aan scholen. Hij hermaakt de uitzichten van uit de angsten. De angsten van het kind én van de puber zijn er in gedacht en geritualiseerd in beton, staal, baksteen, planken. Het zijn plekken waar soms iemand een moment zou kunnen stilstaan. Als hij dat iemand ziet doen, als hij iemand de georchestreerde positie ziet innemen, voelt hij een warme gloed: het is een aanraking van niet meer dan een ogenblik, maar de gebouwde ruimte blijft daar staan als een monument voor dat moment. Doorheen de ruimte hebben de man en diegene die daar in de beschuttende buitenruimte stond elkaar aangeraakt. De scholen die hij bouwt zijn gedacht met de angst en de drift van de jongeling in herinnering.

De man loopt over begraafplaatsen en vuilnisbelten in de steden waar hij komt, hij kijkt er, zoals hij keek toen hij een kind was, op de vuilnisbelt is vals spelen onmogelijk. En opeens herkent hij de paradijselijke geur van de vuilnisbelt, ook al ligt die duizenden kilometers van zijn eigen oervuilnisbelt, ook al bestaat die vuilnisbelt van zijn kindertijd al jaren niet meer. Hij kijkt naar hen die als bonte kraaien op de graven rondscharrelen en hij kijkt naar hen die in het afval zoeken, naar hen die van het afval houden, hij ziet er mensen, het liefst spreekt hij hen niet aan. Hij heeft het liefst dat de ontmoeting zich zonder ruis, via de ruimte kan afspelen. Hij hoeft de ruimtes niet eens meer vorm te geven, opdat het ritueel zich zou voltrekken, hij kan, zoals de zwerfhonden in de stad, die ruimtes vinden. Scholen vragen de man om les te geven: de perversie ten top gedreven: zij zullen hem de jongelingen leveren. Hij leidt de jongelingen weg uit de school naar vuilnisbelten en begraafplaatsen, naar kapotgeschoten en uit elkaar gevallen steden, naar steden vol verlaten huizen. De plaatsen van de begraafplaatsen en de vuilnisbelten geven hen een inzicht in de steden, laten hen de steden begrijpen, maar dat is niet meer dan een drogreden, een motief om op de begraafplaatsen en de vuilnisbelten te kunnen rondhangen. De begraafplaats en de vuilnisbelt geven hen inzicht in de stad, in de structuur van de stad, maar geen inzicht, geen begrip van de sterfelijkheid. Op de vuilnisbelt kan je alleen maar dolen. Heel soms raken ze elkaar, voor een ogenblik: dan wenen ze: de man en de jongelingen.

Het kind weet dat de kaart van zijn wereld die het in het grijze zand getekend heeft in zijn hoofd is uitgedeind tot een kaart van de wereld tout court, dat de segmenten samen een kaart vormen van de wereld. Maar het stopt daar niet, het kind blijft liggen, het sluit de ogen. Niet langer de segmenten, maar de cirkel zelf wentelt en vermenigvuldigt zich nu. De cirkelvormige kaart draait rond een punt, wordt een bol, een sfeer. Die sfeer is transparant voor het kind, het kan er doorheen kijken. Het ziet de buitenste, dikke, gekrabbelde schil, het ziet de volgende gestippelde laag, het ziet de bol met daarop de vierkantjes met de diagonalen en daarna de bol met daarop al de vierkantjes zonder diagonalen, en nog meer naar binnen in de sfeer ziet het de volgende bol met vierkantjes met diagonalen en verder naar binnen ziet het het doorkrabbelde midden van de sfeer, als een kleine bol, bijna een punt. Maar voor het kind hebben de woorden kern en schil geen betekenis en geen bijklank: in het schema dat het kind tekent zit er geen kritiek verscholen, zoals er in het heelal geen kritiek verscholen zit. Dat is de wereld: een scholenbol waarrond verlaten huizen draaien als manen, verder dan de verlaten huizen cirkelen de huizen, begrensd door de schil van de vuilnisbelt met op het uiteinde daarvan de verspreide barakken en daarachter als een dikke mistlaag, de schil van het eindeloze bos.

De oude man is in het eindeloze bos. Hij loopt heen en weer in het eindeloze bos. Hij sjouwt er met spullen, als een dakloze, als een vreemde: hij is er niet thuis hij is er een vreemde. Iedereen vindt het sleuren met spullen van iemand anders belachelijk. De zakenman begrijpt niet waarom de dakloze met een zak stinkende kleren zeult, de dakloze kan zich niet inbeelden waarom de zakenman met een aktetas vol vervelende papieren heen en weer loopt. De oude man is een kind, een jongeling, een man. Hij ziet aan het begin van het eindeloze bos, daar waar het bos aan de stad raakt hopen afval: bouwafval, werkkleren, oude vaten, lege verfpotten. Hij ziet er twee auto’s vlak naast elkaar geparkeerd staan. Hij ziet er twee mensen bij elkaar in één auto zitten. Jongelingen en volwassenen komen er, voor ze na het werk, na school, naar huis gaan, voor ze naar huis moeten. De oude man herkent de rituelen, hij herkent de sporen, hij herkent hun verlangens, hij is de zijne niet vergeten. En telkens als hij de sporen ziet, telkens als hij hen schichtig ziet kijken, telkens als hij de afslag van de weg ziet, telkens als hij de weg ziet doodlopen tegen de boomstammen, telkens als hij het vuilnisbeltje aan de voet van de bomen ziet, voelt hij een warme gloed. De oude man weet wel dat sommigen bossen inventariseren, om het bos te kunnen exploiteren, dat zijn zij die weten waar welke bomen staan, zij weten hoeveel kubieke meter hout er per hectare staat en van welke kwaliteit dat hout is, zij weten welke ziektes de bomen hebben, op welke ondergrond ze staan. Zij zijn zoals diegenen die de stad exploiteren, die weten hoeveel gebouwen er zijn, hoe goed of hoe slecht die gebouwen uitgerust zijn, zij zijn het die weten hoeveel de wijken waard zijn. Er zijn twee open plekken in het eindeloze bos. Op de ene staat een verlaten huis, une maison abandonnée, de oude man slaapt er, maar het is niet zijn huis. Op de andere open plek staat de barak, de hut, de stal, waar de schoppen, de zagen en de bijlen staan. De oude man weet dat het verlaten huis en de barak in het eindeloze bos nodig zijn, opdat het eindeloze bos een plaats kan zijn, opdat er in het eindeloze plaatsen zouden kunnen zijn: gemene plaatsen. Gemene plaatsen die mensen uit hun huizen zou kunnen lokken zoals een school dat kan. De oude man blijft verlangen naar ont-moeten, naar ontmoeten. Ver weg blaft een hond. In het eindeloze bos kan je niet zeggen waar dat vandaan komt. Hij weet wel dat het nooit zal gebeuren maar toch: hij zou zo graag willen dat er iemand met hem zou staan in te kijken in de donkere, vochtige ruimte van het verlaten huis, als bevroren, met de zon in de rug. In het eindeloze bos is iedereen een vreemde. Een vreemdeling, iemand die niet thuis is, die ziet mogelijkheden in het verlaten huis, in de barak, in de rand van het eindeloze bos. De oude man ligt op de vochtige grond in het eindeloze bos. Hij volgt met zijn ogen de lijnen van de hoge stammen. In het eindeloze bos weet niemand welke boom waar zou staan. Aan de rand is er misschien nog herkenning, maar in het bos is het bos het bos. In het bos gebeurt er niets, er is daar niets aan de hand. Je gaat er om te sterven. De bomen raken elkaar vaak aan, ze maken dan een traag kreunend geluid zonder ritme en ze schuren elkaars bast stuk. Soms breekt een boom plots af: het bovenste stuk van de boom dat het snelst naar het licht doorgroeide dondert dan naar beneden. Hij ziet zich zelf bedolven onder de massa van de boom, ingedrukt in de massa van de kalksteen als een fossiel van miljoenen jaren geleden. Een vliegtuig bromt hoog boven hem voorbij, op weg naar een stad ongetwijfeld, communicatie- en oriëntatiesatellieten knipperen nog veel hoger, als je niet oplet, zou je kunnen denken dat het sterren zijn. Een beest loopt zwaar zuchtend langs, vlakbij. De hoogspanningsleiding knettert in de vochtige nachtlucht, een teek kruipt omhoog naar zijn lies. Het bos is eindeloos, maar de stad is vlakbij, de wereld is vlakbij, het heelal is vlakbij, zoals het eigen lijf.

Vaak is hij niet eens alleen in het eindeloze bos. Het eindeloze bos, dicht bij de stad is geen kluizenaarsplek. Hij is er vaak met een jongeling, een jongeling waarvan de samenleving besliste dat hij een probleem heeft. Het is een jongeling die het lijf niet in overeenstemming krijgt met de samenleving: zijn lijf botst tegen de samenleving of omgekeerd. Hij bewondert bij de jongeling hoe die niet lijkt te kunnen leren – onmogelijk. Hij is tegelijkertijd, op hetzelfde moment, op dezelfde plaats met die jongeling in het eindeloze bos. De oude man en de jongeling lopen naar het verlaten huis dat hen onderdak verleent. De oude man kan alleen het zwarte deurgat zien. Hij voelt alleen de warmte van de zon in de rug. Hij kan alleen maar denken aan het moment dat de jongeling zou treuzelen, zou stilstaan en in het zwarte gat zou staren. Maar de jongeling loopt aan zijn onregelmatige ritme voort, door het deurkader naar binnen om zich een stuk brood af te snijden: hij heeft honger. De jongeling neemt een hap, duwt op de knop van het draagbare radiootje. Radio Energy spuwt reclameboodschappen. Soms zegt de oude man tegen de jongeling dat het bos een school is, een school waar niets te leren valt, een school voor hen die niet leren. ‘architectuur - school’ mompelt de man dan. Het is niet duidelijk of hij nu ‘architectuurschool’ wil zeggen of misschien ‘schoolarchitectuur’. Hij heeft het in elk geval niet over bosklassen. De oude man en de jongeling zijn tegelijkertijd in het bos of in het verlaten huis; de ruimte is hen gemeen. Maar de oude man is oud en de andere is jong. Zij lopen dezelfde weg door het bos, maar hun ritme is verschillend. Zij hebben niets aan elkaar te verdienen – zoals in de architectuur – school: geen diploma, geen loon. De oude man verlangt er naar dat het zwaartepunt van zijn lijf zou samenvallen met dat van de jongeling. Hij weet dat dat niet kan, hij heeft dat altijd al geweten, maar dat betekent niet dat dat verlangen zou ophouden. Taal kan hen niet helpen om bij elkaar te geraken.

Er staan al wat bladeren op de bomen, nog niet veel, hij kan nu, in deze periode van het jaar, nog veel sterren zien. De lucht is zwart, de stammen zijn nog zwarter. Hij herkent tussen de bladeren en de kruinen een paar sterrenbeelden: de illusie van een inzicht: er zijn miljarden sterren en in een paar ziet hij een sterrenbeeld. De oude man neemt een tak, zonder na te denken tekent hij een driehoek in de natte zwarte rottende grond. Hij tekent een gelijkbenige driehoek. Op de snijding van de bissectrices van die gelijkbenige driehoek tekent hij een vierkantje. In de kleinste hoek van de gelijkbenige driehoek tekent hij een driehoekje. Tussen het vierkantje en het driehoekje, op de bissectrice van de kleinste hoek van het plan tekent de oude man nog een vierkantje, in dit vierkantje trekt hij zorgvuldig diagonalen. Achter het vierkantje zonder diagonalen tekent de oude man een lijn evenwijdig aan de kortste zijde van de driehoek. Daarna tekent hij nog één lijn, evenwijdig aan de vorige lijn, tussen de vorige lijn en de kortste zijde van de driehoek. Op die lijn én op de bissectrice van de kleinste hoek tekent hij opnieuw een vierkantje met daar doorheen de diagonalen. Langzaam stippelt hij de zone. Hij krabbelt in de zone tussen de kortste zijde van de driehoek en de lijn die er evenwijdig aan loopt en hij stippelt de volgende zone. Het vriest. Het verbaast de oude man hoe weinig angst er over blijft, alle geilheid is verdwenen: de oude man is klaar om te gaan.

Wim Cuyvers,

Juli 2009

Membres

Archives du blog