Refuge : schuilplaats, toevluchtsoord, vluchtheuvel, schuilhut. Chercher refuge : een schuilplaats, toevlucht zoeken. refuge (Fr.), v.(m.) (-s), (veroud., hist.), 1. wijkplaats; 2. uitwijking. Refuge: (latin refugium) -Lieu, endroit où quelqu'un qui est poursuivi ou menacé peut se mettre à l'abri. -Simple abri ou construction en dur plus confortable. contact: Wim Cuyvers, wimcuyvers@wanadoo.fr

MOMENTEN EN RUIMTES

Het huis is altijd keurig opgeruimd. Het ruikt er naar bleekwater, de vloeren blinken, daar zorgt de moeder voor. Het lijkt of zij alleen maar dat doet: kuisen. Stoelen staan met de poten in de lucht op de tafel, tapijten worden omgeplooid; op de glanzende rode cementtegelvloer liggen grijze plassen zeepwater. De strijktafel staat altijd opengevouwen, het strijkijzer staat altijd gloeiend te dreigen op de hoek van de strijkplank. De franjes van het tapijt worden gekamd, het kamerbreed tapijt in de slaapkamers wordt eindeloos gestofzuigd met de loeiende stofzuiger. De stofzuiger ruikt zoals alle stofzuigers ter wereld. Het witglanzende, opvouwbare droogrek blijft altijd open staan; het wasgoed is wit en koud. De afwas wordt onmiddellijk na het eten gedaan en opgeborgen in formica kasten. De kasten worden twee keer per week leeggemaakt en uitgeveegd. De schoenen staan in rekken in de stookplaats en in de wasplaats. Elke avond worden de schoenen gepoetst: vier paar schoenen op een rij op een oude krant. De schoenen worden afgeborsteld met een harde borstel, ingewreven met korrelig schoensmeer, het vet moet eerst intrekken, daarna worden de schoenen opgeblonken, dan de handen gewassen met kokend heet water uit de koperen kraan in de wasplaats. De moeder zit op haar knieën naast het bad. Ze schrobt de haren van de kleine met haar kneukels, de hoofdhuid en de schedel gloeien. Er is geen plaats waar gekuist wordt. De moeder roept met een harde schelle stem als iemand op de rand van de zetel zit. De stem gaat door merg en been. Zij zegt dat de kleine te veel lawaai maakt als hij ademt. De kleine houdt de adem in, maakt helemaal geen geluid, en dan als hij het niet meer kan houden haalt hij met een diepe zucht adem, een heel diepe zucht en dan twee minuten niets. De moeder krijst als ze die luide diepe zucht – bijna een snik – hoort. De kleine weet niet hoe hij zou moeten ademen opdat de moeder het niet zou horen. Hij ziet maar één mogelijkheid: weg: naar buiten, waar niemand het ademen hoort, waar de wind luider ademt dan hijzelf. Maar de moeder zegt dat het geen weer is om buiten te zijn. De kleine zou zo graag buiten willen zijn. Buiten, niet in de tuin: de tuin is niet anders dan het huis, de tuin hoort bij het huis. De tuin is van het huis: afgebakend met prikkeldraad, bekeken vanuit het huis. De tuin is een kamer van het huis, nauwelijks verschillend van de keuken of de leefruimte. De tuin met de droge zandgrond wordt eerst geschoffeld, er mag geen sprietje onkruid blijven staan; daarna wordt de droge zanderige grond in patronen geharkt - de handen van wie in de tuin werkt worden er even droog van als de zandgrond zelf. De kleine is maar buiten als hij op de vuilnisbelt kan rondstruinen. De vuilnisbelt is een grote zandkuil. De grootvader van de kleine heeft die uitgegraven, hij gebruikte het zand om mee te metselen: honderden huizen. De grootvader is dood. Hij had op Gramsci geleken. De enorme kuil in de zandgrond is volgelopen met water. Het zand is gelig wit. Het water is gitzwart. Er hangt de geur van rottend afval, er brandt altijd vuur. De vuilnisbelt krioelt van het leven: salamanders, eenden, ratten, kikkers, reigers, soms komen er mensen. Dikke Corry is één van hen, het is een oud ijzer verkoper, die zelf op een stortplaats woont, hij komt hier voor zijn plezier ratten schieten met zijn windbuks. Achter de vuilnisbelt ligt het bos, de naalden van de dennenbomen zijn bleek blauwgrijs. De grond is zuur. Je loopt er over een gelijkmatig tapijt van dennennaalden op de zandgrond. De kleine loopt vaak in het bos, maar hij bereikt nooit het einde van het bos. Het bos is een donkere en zachte ruimte: brute, ruwe stammen van ontelbaar vele gelijkaardige, gelijkwaardige dennenbomen: pinus sylvestris. Er zijn nauwelijks dieren in het bos, er fluit geen vogel. Soms ziet de kleine aan de rand van het bos twee mensen die elkaar ontmoeten, ze gaan niet ver het bos in. De kleine kijkt naar hen zonder te gluren. Hij ziet hen het bos in stappen en laat hen. Opeens weet de kleine dat hij moet omdraaien, teruggaan: het is etenstijd in het huis. De kleine moet de schoenen uitdoen voor het binnenkomt en direct het bad in, alsof hij moet ontsmet worden. De kleine loopt snel naar het huis. Hij hoopt dat de moeder hem niet zal roepen, dat haar schelle roep niet zal weerklinken tot diep in het bos en tot aan de andere huizen.

De kinderen lopen naar de school, zij hebben zwarte schortjes uit geribd nylon over hun broekjes en hemdjes. Ze moeten doorlopen om op tijd in school te zijn, voor de bel gaat, voor de poort onherroepelijk gesloten wordt voor wie te laat komt. De bel is even schel als de stem van de moeder. De grotere kinderen roepen vermanend naar de kleinere, ze roepen luid, ze molenwieken met hun armen, ze zijn sterk en hard. De kleine herinnert zich elke dag opnieuw het diepe gevoel verraden te zijn van de eerste schooldag. In de school braakt een kind op de vloer van wit zwart gespikkelde cementtegels. Een non gekleed in het zwartste zwart met een gesteven, witte kap gooit met een metalen schopje met een houten steel oranje zaagmeel uit een verzinkte emmer over het oranje braaksel. Hoe kan iemand zo vooruitziend zijn om in de hoek van een leeg klaslokaal een emmer met zaagmeel te hebben klaarstaan voor die ene keer dat iemand zal braken? Zou je daarvoor naar de wereld moeten kijken door witte gesteven oogkleppen? De moeder wil dat de kleine de beste is in de school. Maar in de grote rechthoekige bleekbeige ruimte zit de kleine tussen de anderen te dromen, hij blijft dromen van de vleugelslag van de leeuwerik en hij hoort de zang van de leeuwerik, opnieuw en opnieuw, terwijl de non en de kleuterjuffrouw en de meester en de prof zullen blijven doordrammen, hem blijven leren wat zij willen horen, hoe zij het willen horen: zij leren hem komedie te spelen. De moeder heeft hem gezegd dat hij de beste moet zijn. De beste in komedie spelen denkt de kleine. In de klas moet de kleine dromen om de alsmaar groeiende spanning binnen in het te kleine lijf te houden. In de school is zelfs de tijd opgesloten. In de school moeten zij die naar bleekwater ruiken de geur haten van hen die naar vet ruiken en omgekeerd: zij haten de geuren die anderen uit hun huizen hebben meegebracht. Als de kleine terugloopt van de school naar het huis, alleen, te midden van de anderen staart hij naar het verlaten huis. Hij blijft staan. Het buurmeisje, dat voor de kleine geen meisje, maar een soort schooljuffrouw is, iemand die doet alsof ze al een schooljuffrouw is, roept hem. De kleine staat op de drempel van het huis waar geen deur meer in zit. Hij ziet de barst die schuin oploopt vanuit de linkerbovenhoek van de deur. De kleine kijkt binnen in de zwarte ruimte, op de grond ligt oranjerood steenpuin en grijze verzande voegmortel. Tussen de brokken groeit fluorescent groen mos, met oranje puntjes. De kleine wil zo graag blijven staan, als bevroren, met de zon in de rug en de zwarte vochtige ruimte voor zich. Hij krimpt ineen als hij de schooljuffrouw in spee hoort roepen en hij gaat mee met de anderen. In de school leert de kleine niets, maar het is op weg van en naar de school dat de kleine het huis begrepen heeft.

Aan de rand van de vuilnisbelt staat een houten barak. De barak is gemaakt uit dennenhouten planken. De planken zijn grijs en dun, ze hebben eerder al gediend om bekistingen mee te maken. Er liggen vezelcementen golfplaten op het dak. De deur van de barak heeft twee dikke grijze leren lappen als scharnieren. De deur sluit met een ketting met een slot op. De ketting laat een centimeter of tien speling tussen de deur en de wand. De kleine duwt tegen de deur, die geeft lichtjes mee. De kleine schuift in de V-vormige spleet. Eerst de benen, dan de heupen, die blijven bijna vastzitten. Dan de buik, dat gaat makkelijk, dan de borstkas, de kleine ademt verschillende keren uit, om zich zo smal mogelijk te maken. De kleine ligt plat op de grond, daar is er het meeste ruimte te vinden in de V-vormige opening tussen de deur en de wand. De borstkas schuurt, klemt, schuurt en schuift verder. De nek zit nu in de opening. Enkel het hoofd steekt nog buiten. Het kinderlichaam is in de barak, de kleine draait het hoofd, wil het naar binnen trekken, maar de slapen zitten geklemd tussen het hout. De kleine duwt zo hard als hij kan met zijn handen de deur open. Het hoofd wringt en schuift tergend traag naar binnen. De opening is te klein. De kleine voelt de pijn, maar weet dat hij het zal halen. De engte schreeuwt het uit in de oren van de kleine. De kleine is helemaal binnen in de barak. De barak straalt de grootste evidentie uit. Het is een ruimte die er al altijd lijkt geweest te zijn. Er staat materiaal voor metselaars. Alles is er grijs en dor, droog: schoppen en truwelen, een paar emmers, drie zakken cement, een hoop zand op een houten plaat, een roestig vat, een ring duidt aan tot waar het grijze water ooit kwam, een paar touwtjes. De kleine is beschut tegen alles: regen en wind, maar bovenal: niemand kan de kleine hier zien liggen, niemand kan hier binnen: de volwassenen zijn te dik om zich hier naar binnen te wringen. Er is alleen maar de man die de sleutel van de barak heeft. Het kind weet voortdurend, op elk ogenblik, dat die man ooit zou kunnen komen. Als dat besef er niet zou zijn zou de barak niets zijn, geen betekenis hebben.

De wereld is simpel: de wereld is opgebouwd uit niet meer dan een paar elementen, een paar simpele bouwstenen – dat heeft het kind al heel vlug begrepen. Het kind kan die wereld makkelijk tekenen. Het tekent zijn wereld als een kaart, een planzicht, met een stok in het natte, grijzige zand. De kaart is driehoekig van vorm – een gelijkbenige driehoek. Gelijkbenig ja, niet gelijkzijdig. Het kind kan niet geloven dat een kaart altijd rechthoekig zou moeten zijn. Het kind tekent de kaart zoals andere kinderen een schattenkaart zouden tekenen. Het kind tekent een vierkantje, dat vierkantje staat voor het huis, het huis waar het woont. Het kind heeft nog geen weet van bissectrices of deellijnen, maar toch tekent het het vierkantje perfect op de snijding van de bissectrices. Velen denken dat dat het zwaartepunt van de driehoek is, maar dat is niet zo: het zwaartepunt is dat punt waar de zwaartelijnen elkaar snijden, en de zwaartelijnen zijn lijnen vanuit een hoekpunt naar het midden van de tegenoverliggende zijde. De bissectrices daarentegen zijn de lijnen door een hoekpunt die de (binnen)hoek in twee gelijke hoeken verdelen. Misschien wil het kind niet dat het huis in het zwaartepunt van de tekening zou komen te liggen. Daarna tekent het een driehoekje, dat driehoekje staat voor de school. Het driehoekje ligt in de kleinste hoek van de driehoekige kaart in het zand, het kind ziet dat niet als de top van de driehoek, ook niet als de onderkant van de driehoek, het kind blijft om de driehoekige kaart heen draaien. Het kind heeft geen voorkeur. Het kind woelt het zand om in het driehoekje dat de school voorstelt. Tussen het vierkantje en het driehoekje, op de bissectrice van de kleinste hoek van het plan tekent het kind opnieuw een vierkantje, in dit vierkantje trekt het zorgvuldig diagonalen. Het vierkantje met de diagonalen is het verlaten huis. Achter het vierkantje zonder diagonalen, het huis, tekent het kind een lijn evenwijdig aan de kortste zijde van de driehoek. Voorbij die lijn ziet het kind de vuilnisbelt. Daarna tekent het nog één lijn, evenwijdig aan de vorige lijn, tussen de vorige lijn en de kortste zijde van de driehoek. Op die lijn én op de bissectrice van de kleinste hoek tekent het opnieuw een vierkantje met daar doorheen de diagonalen. Hetzelfde symbool als voor het verlaten huis, maar dit vierkantje staat voor de barak. Het kind stippelt de zone waar het de vuilnisbelt ziet. Aan de andere kant van de lijn die het zonet getrokken heeft, krabbelt het kind, zoals het eerder in het kleine driehoekje gekrabbeld heeft. De zone tussen de laatste lijn die het getekend heeft en de kortste zijde van de kaart staat voor het eindeloze bos.

De jongeling vraagt zich niet af hoe het komt dat hij hier, op deze zaterdagnacht, tegen de betonplatenwand van de speelplaats van de kleuterschool is kunnen terechtkomen. Hij vraagt zich niet af hoe het kan dat hij zich deze plek heeft kunnen herinneren, deze plek waar hij niet meer geweest is sinds hij een jaar of vijf jaar oud was en waarvan hij toen toch onmogelijk kan geweten hebben waarvoor hij die plaats nu zou nodig hebben. Hij moet ook toen iets nodig gehad hebben, iets gelijkaardigs. De jongeling volgt het lijf naar de ruimte en de plek die er voor zorgen dat het lijf niet uit elkaar spat. De samenleving én het lijf hebben hem de weg naar hier gewezen. Ze zullen hem ook de weg wijzen naar de donkere toiletten, zonder spoeling onder het afdak, het ruikt er altijd scherp naar pis. Het afdak beschut tegen de regen, de betonplaten zijn om tegen te leunen, om zich aan te schurken, zoals de oude lindebomen op de speelplaats. Ze onttrekken hem aan het zicht van de controlerende en vermanende blikken van de omgeving en voorbijgangers. De school is, als ze gesloten en donker is, de plek van de onbeholpenheid. Hij of zij die onbeholpen is herinnert zich ooit, als kleine, de mogelijkheden van de dode architectuur van de school na schooltijd te hebben beseft. ‘Hier zou ik kunnen zijn’, moet hij toen gedacht hebben. Dat is hij blijkbaar nooit vergeten.

De jongeling fietst, ongetwijfeld harder dan hij tot nu toe ooit gefietst heeft. Hij wordt er niet moe van. Als hij niet meer sneller vooruit komt heeft hij de indruk dat dat aan de fiets ligt, niet aan hem, niet aan zijn longen en niet aan zijn beenspieren, maar aan de fiets. Hij rijdt aan de maximum snelheid van de fiets, zoals bij een motorfiets. Hij wordt niet moe. Het blauwe zwaailicht van de politiecombi komt snel dichterbij, het snelt de combi vooruit, hij hoort het typische geluid van de volkswagenmotor; vooral telkens net voor dat de chauffeur naar een hogere versnelling schakelt. Het blauwe licht gaat weg en komt terug. Elke keer als het terugkomt, is het weer iets dichter bij gekomen. Sinds het ogenblik dat hij het zwaailicht voor het eerst zag, heeft hij geen seconde nagedacht, alleen maar gefietst, zonder enige aarzeling. Moest hij hen opgewacht hebben dan zou hij er waarschijnlijk wel met een vermaning van af zijn gekomen. Maar hij wil de belerende toon niet aanhoren – hij wil niet gecontroleerd worden. Hij trapt en trapt, staat precies op het juiste ogenblik recht op de trappers om de overgang van de asfaltweg naar de zandweg op te vangen. Het is hier aardedonker, maar hij vertraagt niet, hij kent de zandwegel, niet elk gat, maar hij weet wel hoe de gaten zich uitslijten en hoe er in het midden van de weg altijd een licht bollende, bijna effen strook overblijft, met daarop gras dat nooit gemaaid wordt, maar dat nooit langer wordt dan een paar centimeter. Het zwaailicht komt even niet dichter bij, dat komt door de tunnel die de struiken die rond de zandwegel groeien vormen, waardoor het licht niet voluit kan schijnen, maar ook omdat de combi hier minder snel kan rijden. Hij fietst een paar honderd meter ver over de zandwegel, twee bochten. De muren van het verlaten huis zijn net iets lichter tegen de donkere lucht, er is geen maanlicht. Hij springt in het gitzwarte gat van de deuropening zonder deur, hij sleurt de fiets achter zich aan, over steenpuin en netels, over planken met nagels. Hij kent de weg hier niet, maar hij lijkt zich niet te kunnen vergissen, hij is één met de ruimte. Hij kruipt in een hoek, de fiets ligt in een andere hoek, de wielen zijn gelukkig niet blijven draaien, er is geen ander geluid dan het bonzen van zijn hart en het suizen van het bloed in zijn oren. De combi rijdt voorbij, stopt wat verder, het licht van een zaklantaarn schijnt naar binnen, schijnt over het weitje met de lupines en de wilde kerselaars, dan schijnt het licht weer naar binnen. Hij hoort de motor aanslaan, hij hoort de combi wegrijden. De jongeling blijft zitten, lang, tot de combi weer traag voorbij gereden is. Nu weet hij dat het voorbij is. Hij pakt de fiets, glijdt met zijn hand langs de muren van het verlaten huis, zoals iemand over zijn eigen huid wrijft, of zoals heel oude mensen dat soms kunnen doen bij elkaar: het is geen koesteren, alleen maar een ogenblik van instemmen.

Hij is weg, weg van het huis; weg van huis: slaande ruzie. Hij is hier via een omweg van vijftig kilometer en een volle dag beland, kort voor middernacht, vlak bij huis, maar weg van huis. Hij is niet de hele dag op zoek geweest, de nood heeft zich slechts langzaam opgebouwd, totdat de nood het lijf heeft overgenomen en de weg gewezen naar de barak. Uitwendig is er aan de barak nauwelijks iets veranderd, enkel het slot is niet meer hetzelfde: de ketting met het Yale-slot is vervangen door een slot dat aan de binnenkant van de deur geschroefd is. Daardoor is er geen speling meer tussen de deur en het deurkader. De jongeling kan niet eens denken dat hij, omdat hij gegroeid is toch niet meer door de opening tussen kader en deur zou kunnen glippen. Maar hij twijfelt geen seconde. Het is alsof alles buiten hem om gaat. Hij vindt een metalen hengsel van een oude verfpot. Hij steekt de metaaldraad tussen de kopse uiteindes van twee planken, plooit hem tot een L, met een kort beentje van anderhalve centimeter. Hij steekt het andere einde van de draad tussen de planken, draait aan de draad tot hij het uiteinde bijna rond gebogen heeft. De ‘sleutel’ is klaar. Hij vraagt zich niet af of die wel zal passen. Hij kan zich niet herinneren ooit zo trefzeker te zijn geweest. Hij steekt de geplooide draad in het slot, draait. Het slot knarst. Hij duwt de platte aluminium klink naar beneden en laat de deur opendraaien. Hij is daarover niet verbaasd. De geur is identiek dezelfde als die keer, meer dan tien jaar geleden. Geuren en angsten veranderen nooit. Hij legt zich meteen neer, op dezelfde plaats als toen. Er ligt wat ander materiaal. De barak lijkt nu nog minder gebruikt te worden dan vroeger. Het is er kouder en natter dan toen. Hij rolt zich op tot een bol, als een hond. Voor de eerste en de laatste keer in zijn leven slaapt hij zestien uur aan een stuk.

Het kind ligt neer in het warme grijze zand. Het kijkt naar de tekening die het zopas gemaakt heeft. Omdat het kind nu ligt, het hoofd vlak bij de plantekening, ziet het de driehoek veel scherper dan daarnet. Het kind houdt de adem te lang in. De tekening wentelt en vermenigvuldigt zich in het hoofd van het kind, er is niet één driehoekige plantekening, maar verschillende, heel veel, samen vormen al die scherpe driehoeken een cirkel: de driehoeken zijn cirkelsegmenten geworden. De gekrabbelde driehoekjes in de kleinste hoeken van de driehoeken vallen bij elkaar en klonteren samen tot een kleine cirkel in het midden van de cirkel. Aan de buitenkant van de cirkel groeit een donkere band. Maar ik zeg het verkeerd: het kind ziet geen buitenkant en geen midden, geen centrum in die cirkel. Het kind weet dat er veel scholen zijn, andere scholen, die waar de grote kinderen heen gaan, het kind weet dat er massaal veel huizen zijn, en verlaten huizen en barakken. Het weet dat de vuilnisbelten aan elkaar klitten tot een ring en dat de wereld begrensd is door het eindeloze bos. En natuurlijk weet het kind dat er fabrieken bestaan en winkels en kantoorgebouwen, maar voor een begrip van de wereld tellen die niet mee, dat weet het kind wel zeker.

De man doet iets in huizen en scholen. Het is meestal niet hij die ze bouwt, dat doen anderen je kunt dus bezwaarlijk zeggen dat hij huizen en scholen zou maken. En neen, hij vindt ook niet dat het ontwerpen zou zijn. Ontwerpen zou betekenen dat hij die huizen en die scholen bedenkt, ze bedenkt in functie van iets wat hij zou willen bereiken. Dat is niet wat hij doet, hij zoekt de huizen en de scholen waar hij aan werkt, hij vindt ze terug. Hij vindt terug wat al lang bestond, of toch minstens stukken van wat al heel lang bestaat. Hij vindt dat hij de dingen eerder herbruikt dan dat hij ze zou uitvinden; hij zet ze in vanuit de herinnering, hij kan ze vinden in zichzelf. Het is ongetwijfeld een onbelangrijke bezigheid, zoals een leven onbelangrijk is. De man weet dat de huizen die hij voor ogen heeft geen echte huizen zijn. De huizen die hij voor ogen heeft zijn desolaat als de barakken die hij kent en waarvan hij weet dat hij er altijd terecht kan. Hij wil dat de huizen waar hij aan werkt krakkemikkig zouden zijn, zoveel als de opdrachtgevers kunnen aanvaarden: als de verlaten huizen, die staan te barsten en te kraken. Het is telkens opnieuw een schok als mensen er hun gordijnen hangen en hun tapijten openvouwen, maar de tijd zal altijd zijn bondgenoot zijn. En de scholen zijn gedacht alsof ze altijd gesloten zijn, alsof er nooit les gegeven wordt, alsof er nooit leraars en leraressen zijn. De man die zich een kind weet bouwt luifels en afdaken aan scholen. Hij hermaakt de uitzichten van uit de angsten. De angsten van het kind én van de puber zijn er in gedacht en geritualiseerd in beton, staal, baksteen, planken. Het zijn plekken waar soms iemand een moment zou kunnen stilstaan. Als hij dat iemand ziet doen, als hij iemand de georchestreerde positie ziet innemen, voelt hij een warme gloed: het is een aanraking van niet meer dan een ogenblik, maar de gebouwde ruimte blijft daar staan als een monument voor dat moment. Doorheen de ruimte hebben de man en diegene die daar in de beschuttende buitenruimte stond elkaar aangeraakt. De scholen die hij bouwt zijn gedacht met de angst en de drift van de jongeling in herinnering.

De man loopt over begraafplaatsen en vuilnisbelten in de steden waar hij komt, hij kijkt er, zoals hij keek toen hij een kind was, op de vuilnisbelt is vals spelen onmogelijk. En opeens herkent hij de paradijselijke geur van de vuilnisbelt, ook al ligt die duizenden kilometers van zijn eigen oervuilnisbelt, ook al bestaat die vuilnisbelt van zijn kindertijd al jaren niet meer. Hij kijkt naar hen die als bonte kraaien op de graven rondscharrelen en hij kijkt naar hen die in het afval zoeken, naar hen die van het afval houden, hij ziet er mensen, het liefst spreekt hij hen niet aan. Hij heeft het liefst dat de ontmoeting zich zonder ruis, via de ruimte kan afspelen. Hij hoeft de ruimtes niet eens meer vorm te geven, opdat het ritueel zich zou voltrekken, hij kan, zoals de zwerfhonden in de stad, die ruimtes vinden. Scholen vragen de man om les te geven: de perversie ten top gedreven: zij zullen hem de jongelingen leveren. Hij leidt de jongelingen weg uit de school naar vuilnisbelten en begraafplaatsen, naar kapotgeschoten en uit elkaar gevallen steden, naar steden vol verlaten huizen. De plaatsen van de begraafplaatsen en de vuilnisbelten geven hen een inzicht in de steden, laten hen de steden begrijpen, maar dat is niet meer dan een drogreden, een motief om op de begraafplaatsen en de vuilnisbelten te kunnen rondhangen. De begraafplaats en de vuilnisbelt geven hen inzicht in de stad, in de structuur van de stad, maar geen inzicht, geen begrip van de sterfelijkheid. Op de vuilnisbelt kan je alleen maar dolen. Heel soms raken ze elkaar, voor een ogenblik: dan wenen ze: de man en de jongelingen.

Het kind weet dat de kaart van zijn wereld die het in het grijze zand getekend heeft in zijn hoofd is uitgedeind tot een kaart van de wereld tout court, dat de segmenten samen een kaart vormen van de wereld. Maar het stopt daar niet, het kind blijft liggen, het sluit de ogen. Niet langer de segmenten, maar de cirkel zelf wentelt en vermenigvuldigt zich nu. De cirkelvormige kaart draait rond een punt, wordt een bol, een sfeer. Die sfeer is transparant voor het kind, het kan er doorheen kijken. Het ziet de buitenste, dikke, gekrabbelde schil, het ziet de volgende gestippelde laag, het ziet de bol met daarop de vierkantjes met de diagonalen en daarna de bol met daarop al de vierkantjes zonder diagonalen, en nog meer naar binnen in de sfeer ziet het de volgende bol met vierkantjes met diagonalen en verder naar binnen ziet het het doorkrabbelde midden van de sfeer, als een kleine bol, bijna een punt. Maar voor het kind hebben de woorden kern en schil geen betekenis en geen bijklank: in het schema dat het kind tekent zit er geen kritiek verscholen, zoals er in het heelal geen kritiek verscholen zit. Dat is de wereld: een scholenbol waarrond verlaten huizen draaien als manen, verder dan de verlaten huizen cirkelen de huizen, begrensd door de schil van de vuilnisbelt met op het uiteinde daarvan de verspreide barakken en daarachter als een dikke mistlaag, de schil van het eindeloze bos.

De oude man is in het eindeloze bos. Hij loopt heen en weer in het eindeloze bos. Hij sjouwt er met spullen, als een dakloze, als een vreemde: hij is er niet thuis hij is er een vreemde. Iedereen vindt het sleuren met spullen van iemand anders belachelijk. De zakenman begrijpt niet waarom de dakloze met een zak stinkende kleren zeult, de dakloze kan zich niet inbeelden waarom de zakenman met een aktetas vol vervelende papieren heen en weer loopt. De oude man is een kind, een jongeling, een man. Hij ziet aan het begin van het eindeloze bos, daar waar het bos aan de stad raakt hopen afval: bouwafval, werkkleren, oude vaten, lege verfpotten. Hij ziet er twee auto’s vlak naast elkaar geparkeerd staan. Hij ziet er twee mensen bij elkaar in één auto zitten. Jongelingen en volwassenen komen er, voor ze na het werk, na school, naar huis gaan, voor ze naar huis moeten. De oude man herkent de rituelen, hij herkent de sporen, hij herkent hun verlangens, hij is de zijne niet vergeten. En telkens als hij de sporen ziet, telkens als hij hen schichtig ziet kijken, telkens als hij de afslag van de weg ziet, telkens als hij de weg ziet doodlopen tegen de boomstammen, telkens als hij het vuilnisbeltje aan de voet van de bomen ziet, voelt hij een warme gloed. De oude man weet wel dat sommigen bossen inventariseren, om het bos te kunnen exploiteren, dat zijn zij die weten waar welke bomen staan, zij weten hoeveel kubieke meter hout er per hectare staat en van welke kwaliteit dat hout is, zij weten welke ziektes de bomen hebben, op welke ondergrond ze staan. Zij zijn zoals diegenen die de stad exploiteren, die weten hoeveel gebouwen er zijn, hoe goed of hoe slecht die gebouwen uitgerust zijn, zij zijn het die weten hoeveel de wijken waard zijn. Er zijn twee open plekken in het eindeloze bos. Op de ene staat een verlaten huis, une maison abandonnée, de oude man slaapt er, maar het is niet zijn huis. Op de andere open plek staat de barak, de hut, de stal, waar de schoppen, de zagen en de bijlen staan. De oude man weet dat het verlaten huis en de barak in het eindeloze bos nodig zijn, opdat het eindeloze bos een plaats kan zijn, opdat er in het eindeloze plaatsen zouden kunnen zijn: gemene plaatsen. Gemene plaatsen die mensen uit hun huizen zou kunnen lokken zoals een school dat kan. De oude man blijft verlangen naar ont-moeten, naar ontmoeten. Ver weg blaft een hond. In het eindeloze bos kan je niet zeggen waar dat vandaan komt. Hij weet wel dat het nooit zal gebeuren maar toch: hij zou zo graag willen dat er iemand met hem zou staan in te kijken in de donkere, vochtige ruimte van het verlaten huis, als bevroren, met de zon in de rug. In het eindeloze bos is iedereen een vreemde. Een vreemdeling, iemand die niet thuis is, die ziet mogelijkheden in het verlaten huis, in de barak, in de rand van het eindeloze bos. De oude man ligt op de vochtige grond in het eindeloze bos. Hij volgt met zijn ogen de lijnen van de hoge stammen. In het eindeloze bos weet niemand welke boom waar zou staan. Aan de rand is er misschien nog herkenning, maar in het bos is het bos het bos. In het bos gebeurt er niets, er is daar niets aan de hand. Je gaat er om te sterven. De bomen raken elkaar vaak aan, ze maken dan een traag kreunend geluid zonder ritme en ze schuren elkaars bast stuk. Soms breekt een boom plots af: het bovenste stuk van de boom dat het snelst naar het licht doorgroeide dondert dan naar beneden. Hij ziet zich zelf bedolven onder de massa van de boom, ingedrukt in de massa van de kalksteen als een fossiel van miljoenen jaren geleden. Een vliegtuig bromt hoog boven hem voorbij, op weg naar een stad ongetwijfeld, communicatie- en oriëntatiesatellieten knipperen nog veel hoger, als je niet oplet, zou je kunnen denken dat het sterren zijn. Een beest loopt zwaar zuchtend langs, vlakbij. De hoogspanningsleiding knettert in de vochtige nachtlucht, een teek kruipt omhoog naar zijn lies. Het bos is eindeloos, maar de stad is vlakbij, de wereld is vlakbij, het heelal is vlakbij, zoals het eigen lijf.

Vaak is hij niet eens alleen in het eindeloze bos. Het eindeloze bos, dicht bij de stad is geen kluizenaarsplek. Hij is er vaak met een jongeling, een jongeling waarvan de samenleving besliste dat hij een probleem heeft. Het is een jongeling die het lijf niet in overeenstemming krijgt met de samenleving: zijn lijf botst tegen de samenleving of omgekeerd. Hij bewondert bij de jongeling hoe die niet lijkt te kunnen leren – onmogelijk. Hij is tegelijkertijd, op hetzelfde moment, op dezelfde plaats met die jongeling in het eindeloze bos. De oude man en de jongeling lopen naar het verlaten huis dat hen onderdak verleent. De oude man kan alleen het zwarte deurgat zien. Hij voelt alleen de warmte van de zon in de rug. Hij kan alleen maar denken aan het moment dat de jongeling zou treuzelen, zou stilstaan en in het zwarte gat zou staren. Maar de jongeling loopt aan zijn onregelmatige ritme voort, door het deurkader naar binnen om zich een stuk brood af te snijden: hij heeft honger. De jongeling neemt een hap, duwt op de knop van het draagbare radiootje. Radio Energy spuwt reclameboodschappen. Soms zegt de oude man tegen de jongeling dat het bos een school is, een school waar niets te leren valt, een school voor hen die niet leren. ‘architectuur - school’ mompelt de man dan. Het is niet duidelijk of hij nu ‘architectuurschool’ wil zeggen of misschien ‘schoolarchitectuur’. Hij heeft het in elk geval niet over bosklassen. De oude man en de jongeling zijn tegelijkertijd in het bos of in het verlaten huis; de ruimte is hen gemeen. Maar de oude man is oud en de andere is jong. Zij lopen dezelfde weg door het bos, maar hun ritme is verschillend. Zij hebben niets aan elkaar te verdienen – zoals in de architectuur – school: geen diploma, geen loon. De oude man verlangt er naar dat het zwaartepunt van zijn lijf zou samenvallen met dat van de jongeling. Hij weet dat dat niet kan, hij heeft dat altijd al geweten, maar dat betekent niet dat dat verlangen zou ophouden. Taal kan hen niet helpen om bij elkaar te geraken.

Er staan al wat bladeren op de bomen, nog niet veel, hij kan nu, in deze periode van het jaar, nog veel sterren zien. De lucht is zwart, de stammen zijn nog zwarter. Hij herkent tussen de bladeren en de kruinen een paar sterrenbeelden: de illusie van een inzicht: er zijn miljarden sterren en in een paar ziet hij een sterrenbeeld. De oude man neemt een tak, zonder na te denken tekent hij een driehoek in de natte zwarte rottende grond. Hij tekent een gelijkbenige driehoek. Op de snijding van de bissectrices van die gelijkbenige driehoek tekent hij een vierkantje. In de kleinste hoek van de gelijkbenige driehoek tekent hij een driehoekje. Tussen het vierkantje en het driehoekje, op de bissectrice van de kleinste hoek van het plan tekent de oude man nog een vierkantje, in dit vierkantje trekt hij zorgvuldig diagonalen. Achter het vierkantje zonder diagonalen tekent de oude man een lijn evenwijdig aan de kortste zijde van de driehoek. Daarna tekent hij nog één lijn, evenwijdig aan de vorige lijn, tussen de vorige lijn en de kortste zijde van de driehoek. Op die lijn én op de bissectrice van de kleinste hoek tekent hij opnieuw een vierkantje met daar doorheen de diagonalen. Langzaam stippelt hij de zone. Hij krabbelt in de zone tussen de kortste zijde van de driehoek en de lijn die er evenwijdig aan loopt en hij stippelt de volgende zone. Het vriest. Het verbaast de oude man hoe weinig angst er over blijft, alle geilheid is verdwenen: de oude man is klaar om te gaan.

Wim Cuyvers,

Juli 2009

Membres

Archives du blog